*DAN DOE IK NU EVEN WAT OVER HET HAN ZEGGEN WÀ
TAALVERANDERING IN HEERLEN
LIJST VAN FONETISCHE SYMBOLEN(1)
|
Symbool Als in
a baat e beet i biet o boot u boet y buut œ beuk a bad e bed I bid bod buk Ei bijt y buit a bout e: gêne ô: controle œ: freule de ò (Limb:) baor å (Limb:) sjwoal
~ nasalisatie : lengte ' klemtoon / sleeptoon \ stoottoon |
Symbool Als in
p pad b bad t tak d dak k kat g go f fat v vat s sap z zat š sjaal Š jacquet x lach g gal m mat n nat lang l lat r rat j jat w wat h had c badje Ñ canvas ñ franje ? _aha [?aha] |
0. ZEER BEKNOPTE
INLEIDING
Een van de eerste zaken die me in
Heerlen opvielen toen ik er kwam wonen was de taal. In Heerlen wordt, in
tegenstelling tot in andere Limburgse dorpen en steden, relatief weinig
dialect gesproken en het Nederlands wordt gekenmerkt door een groot aantal
afwijkingen van de standaardtaal, die zich op ieder taalniveau bevinden.
Natuurlijk, iedere Limburger is snel aan zijn tongval te herkennen, maar
de aard en de hoeveelheid van de `afwijkingen' die in Heerlen te horen
zijn, rechtvaardigen het te spreken van een aparte taal. Een taal, die
door veel mensen als zodanig wordt herkend (ook door elf van de twaalf
door mij geïnterviewde Heerlenaren) en die ik, in navolging van Leonie
Cornips, HAN noem (Heerlens Algemeen Nederlands). Een taal ook, die ik
het waard achtte om te bestuderen. Dit heb ik gedaan, en wel in de vorm
van een beschrijving van enkele opvallende kenmerken en de distributie
hiervan. Dit laatste was problematisch omdat veel HAN-variaties geen standaard-Nederlands
equivalent hebben en boeiend, omdat de uitkomsten merkwaardig genoemd kunnen
worden.
Hoewel de afstand tot de standaardtaal het rechtvaardigt het HAN een (regionaal bepaalde) taal te noemen, is er een aantal kenmerken dat dit belet. Zo zijn er nauwelijks tweetaligen HAN/standaardtaal, omdat een HAN-spreker van zichzelf vindt dat hij Nederlands spreekt. Een dialectspreker heeft de keuze tussen zijn dialect en standaard-Nederlands, een HAN-spreker heeft deze keuze niet. Hij spreekt ook HAN als hij in Amsterdam een brood koopt. Om deze reden zou je HAN een vorm van Nederlands kunnen noemen, die op een aantal punten afwijkt van het literaire Nederlands zoals het op school onderwezen wordt. Omdat het ondoenlijk is om een soort `Beknopte HAN-Syntaxis' of `Algemene HANse Spraakkunst' te schrijven in het bestek van een eindwerkstuk, behandel ik het HAN als variatie op het standaard-Nederlands, in die zin dat ik deze laatste taal als referentie gebruik om het HAN, waar het van de standaardtaal afwijkt, te beschrijven. Dit doet onrecht aan de stelling dat HAN een op zichzelf staande taal is, immers, je gaat ook niet het Chinees beschrijven aan de hand van het Duits.
De beschrijving van het HAN die ik
geef is verre van compleet. Bestuderen betekent keuzes maken, en die keuzes
zijn altijd in mindere of meerdere mate arbitrair. Ik heb alleen die kenmerken
van het HAN behandeld die 1) van de standaardtaal afwijken of in de standaardtaal
ongebruikelijk zijn en 2) regelmatig en in hoge frequentie in het HAN voorkomen.
Bij het maken van deze keuzes ben ik behoorlijk op weg geholpen door de
verzameling kenmerken in het Nederlands van Limburgers, zoals die is aangelegd
door dhr. Notermans en door de onvolprezen studie `Syntactische variatie
in het Algemeen Nederlands van Heerlen' door Leonie Cornips. Dit laatste
boek heeft mij ook op het spoor gezet van de generatieve grammatica als
middel voor beschrijving. Cornips heeft zich volledig en gedegen getoond.
Volledig, omdat alle syntactische HAN-kenmerken die ik in hogere frequentie
op mijn opnames tegenkwam in haar boek beschreven zijn en gedegen, omdat
aan haar analyses niet of nauwelijks te tornen is. Zonder haar boek had
ik met mijn handen in het haar gezeten, en het is aan haar te danken dat
ik dit werkstuk binnen de gestelde tijdlimiet af heb gekregen. Dat mijn
conclusies bijna altijd dezelfde zijn als die van haar, heeft weinig of
niets met luiheid te maken: ik kon ze niet weerleggen. Integendeel, ze
werden alleen maar bevestigd bij nader onderzoek. Hier moest het originaliteitsbeginsel
dus even wijken voor de waarheid.
Ik ben aan mijn data gekomen door
gesprekken te houden met twaalf Heerlenaren. Deze gesprekken heb ik op
band opgenomen en later geanalyseerd. Ze gingen over uiteenlopende onderwerpen:
meestal over koetjes en kalfjes (met vragen als: `Hoe was de vakantie'
of: `Op welke manier heb je je verjaardag gevierd'), slechts eenmaal nam
het gesprek een bizarre wending: met Ben (zie voor een lijst van reflectanten
hoofdstuk 4) kwam een discussie op gang over het recht van niet-vegetariërs
om overal vlees te eten. In ieder geval: ik heb gepoogd om ieder gesprek
zo te laten verlopen, dat de geïnterviewde zich geheel op zijn gemak
voelde en vrijuit kon spreken. Dit kon echter niet voorkomen, dat het taalgebruik
tijdens de gesprekken telkens afweek van dat in het dagelijkse leven. De
cassetterecorder, het doel, de wetenschap dat ik de gebruikte taal zou
analyseren en wellicht ook mijn eigen taalgebruik maakten, dat de geïnterviewden
in de richting van de standaardtaal werden gedreven. Maar niet getreurd:
er bleef genoeg over om een aantal pagina's vol te schrijven. En om me,
na een lange periode van instinctieve afkeer, liefdevol naar het HAN te
laten kijken. Ik ben, dat durf ik nu te zeggen, van het HAN als taal gaan
houden.
Rest me, om heel veel mensen te bedanken. In de eerste plaats natuurlijk de geïnterviewden, die uit durfden te komen voor een taal die zelfs zij doorgaans een lage status toekennen. Andere Heerlenaren uit mijn omgeving, die vaak op de meest onmogelijke tijdstippen door me werden aangesproken om te beoordelen of een bepaalde constructie nu wel of niet tot het corpus van het HAN gerekend kan worden of om een eventueel betekenisverschil tussen verschillende variaties te bevestigen of ontkennen. Mijn hele omgeving, die al tijden geleuter over HAN moet aanhoren. Mijn docenten, die me in het begin hebben voorzien van ideeën. En dhr. Notermans, die me belangeloos zijn lijst met Limburgismen gaf.
1. WAT VOORAF GING
1.1 Heerlen groeit
Wie tijdens een wandeling door Heerlen
goed uit zijn ogen kijkt, zal snel opmerken dat deze stad een voor Nederland
ongewone ontwikkeling heeft doorgemaakt. Zo zijn er maar weinig gebouwen
te zien van voor 1890 en is de Pancratiuskerk aan de markt (de enige kerk
in het centrum) idioot klein voor een stad met bijna 100.000 inwoners.
Zij zou in een dorp niet uit de toon vallen, iets wat niet gezegd kan worden
van bijvoorbeeld de Sint-Servaaskerk in Maastricht, een stad met nèt
iets meer inwoners. Net als de kerk is het centrum van Heerlen ook erg
klein, dus de kans dat een wandelaar buiten het centrum geraakt is groot.
Daar ziet hij de buitenwijken van Heerlen: losse gemeenschappen met allemaal
hun eigen architectuur, hun eigen kerk, hun eigen infrastructuur en hun
eigen sociale kenmerken. Enigszins badinerend zou je kunnen zeggen dat
Heerlen een toevallig samenraapsel van aan elkaar gebouwde dorpjes is.
Het dorp Heerlen telde aan het einde van de vorige eeuw (telling uit 1891) 5.382 inwoners. De bevolkingssamenstelling was zeer homogeen: er woonden nagenoeg alleen leden van families die al sinds jaar en dag in Zuidoost-Limburg woonden. De landbouw was in de regio verreweg de grootste werkverschaffer, daarnaast werkten enkele mensen bij kleine ondernemingen als steenbakkerijen, brouwerijen en tabaksfabrieken of als seizoensarbeider in het nabijgelegen Duitsland. De twee enige Nederlandse steenkolenmijnen, de Neuprick en de Domaniale Mijn in Kerkrade, hadden in 1895 samen niet meer dan 424 personen in dienst. Het gebied, dat nu de Oude Mijnstreek heet(2), was een lappendeken van op landbouw aangewezen dorpjes waar de industrialisatie nog geen greep op had gekregen. De economische toestand was ouderwets en bepaald niet rooskleurig: de inwoners van het gebied moesten knokken voor hun bestaan.
Aan deze toestand kwam abrupt een
einde toen in 1897 de toenmalige minister van Waterstaat, Handel en Verkeer,
ir. C. Lely, uitsprak dat hij een grote toekomst zag voor Limburg. Onder
druk van het Limburgse lid van de Tweede Kamer dr. W. Nolens besloot hij
ernst te maken met de ontginning van de mijnbekkens in het uiterste zuiden
van Nederland, niet in de laatste plaats omdat er steeds meer buitenlandse
kapers op de kust waren. Er liepen al voor 14.500 hectare grond aanvragen
van buitenlandse concessiehouders, en de angst, dat zij nooit tot ontginning
over zouden gaan, was niet ongegrond. De prijzen van buitenlandse kolen
stegen in recordtempo, en het grootste deel van de lopende concessie-aanvragen
was in handen van de Steenkolen Handels Vereniging, de Nederlandse distributeur
van het Rheinisch-Westfälisches Kohlen Syndikat. Deze organisatie
had er alle belang bij om te voorkomen dat Nederland een eigen steenkolenindustrie
van formaat zou krijgen. Er moest dus snel gehandeld worden, zodat de toekomst
van Zuid-Limburg, en daarmee een nationale mijnindustrie, gezekerd was.
Er kwam een wet, die het verlenen van concessies aan Nederlanders versoepelde
en die ook de oprichting van de Staatsmijnen mogelijk maakte.
Hierna ging het snel met Oostelijk
Zuid-Limburg. Onder leiding van de avonturier H.L.C.H. Sarolea, die eerder
spoorwegen in Oost-Indië had aangelegd, werd in 1897 de spoorlijn
Sittard-Herzogenrath opgeleverd. Deze ontsloot de Oude Mijnstreek, die
voordien slecht te bereiken was. De nieuwe mijnen konden komen, en dat
gebeurde dan ook in duizelingwekkend tempo. Van 1899 tot 1928 zagen alleen
al in de Oude Mijnstreek de Oranje Nassau I tot en met IV, de Willem-Sophie,
de Laura, de Wilhelmina, de Emma, de Hendrik en de Juliana het licht, terwijl
een groot deel van de bevolking het licht werd ontnomen. In enkele decennia
veranderde het gebied rond Heerlen van onderontwikkelde, agrarische appendix
tot een van de zwaarst geïndustrialiseerde regio's van Europa.
1.2 Demografische ontwikkelingen
Het spreekt voor zich, dat deze snelle
industrialisatie ook de bevolkingssamenstelling van het gebied drastisch
heeft beïnvloed. Al voordat de eerste `nieuwe mijnen' in de grond
werden gestampt, had Heerlen voor Zuidoost-Limburg een belangrijke verzorgingsfunctie.
De markten op dinsdag en zaterdag waren de drukst bezochte in de regio.
De boeren uit de omliggende dorpen kwamen dan naar Heerlen om de vruchten
van hun werk te verkopen. Heerlen telde niet meer veel actieve boeren aan
het einde van de negentiende eeuw. Het dorp werd bevolkt door kleine handelaren
en rentenierende boeren die hun laatste dagen in een rustige omgeving wilden
slijten. Voor de eerste wereldoorlog was Heerlen nauwelijks op Holland
gericht. De meeste mensen spraken alleen het plaatselijke dialect en Duits,
dat ze nodig hadden omdat Aken de enige grote stad in de buurt was. Er
bestond zelfs een elektrische `Kleinbahn' die van Heerlen naar Aken liep.
Heerlen was kortom een gezellig, een beetje kneuterig dorpje dat idyllisch
aan de voet van het Eifelgebergte lag. Had het niet op een steenkolenbekken
gelegen, dan was aan deze situatie waarschijnlijk nooit iets wezenlijks
veranderd.
Met de komst van de mijnen deed echter een aantal nieuwe bevolkingsgroepen zijn intrede in het dorpje Heerlen, met name de mijnwerker en de beambte. De bevolking nam explosief toe en tot de nieuwkomers behoorden veel mensen die niet in Limburg waren geboren. In eerste instantie werden vooral Nederlanders geworven voor het werk in de mijnen. Voor het ondergrondse werk waren dit met name Friezen, Groningers en Drenthen en als beambten werden veel mensen uit Holland aangesteld. Niet alleen het oorspronkelijke Heerlense dialect werd steeds minder binnen de gemeentegrenzen gehoord, ook de religieuze samenstelling van Heerlen wijzigde drastisch: er vestigden zich steeds meer protestanten, wat aanvankelijk tot een cultuurshock leidde. Het percentage niet-katholieken op de totale Heerlense bevolking nam toe van 2,5 in 1899 tot 24,2 in 1920. Raskin (De Limburgse eenheid: realiteit of mythe?) sprak van een Limburger die in Heerlen `werd geconfronteerd met de mentaliteit, de godsdienst en de taal van het noorden, die zich op een dominante wijze manifesteerden.'
Dat de Oude Mijnstreek (en met name
Heerlen, dat al snel de functie `hoofdstad van de mijnstreek' kreeg) snel
verstedelijkte, ontging ook de Haagse politiek niet. Aan de ene kant steeg
het aantal inwoners in Heerlen per vierkante kilometer van 160 in 1890
tot 1.498 in 1936, aan de andere kant breidden dorpjes die rond de kom
lagen zich zo snel uit dat ze deel werden van de stad. Zo is het nu nauwelijks
voorstelbaar dat de wijken Heerlerbaan, Welten en Heerlerheide oorspronkelijk
niet bij Heerlen hoorden. Deze ontwikkelingen konden echter niet voorkomen,
dat er vaart gemaakt moest worden met een versnelde woningbouw om de komende
mijnwerkers te kunnen huisvesten. Maar Den Haag had angst voor grote-stadsvorming,
het zag in de mijnsteden van Westfalen een afschuwelijk voorbeeld van ghettovorming,
anarchie, secularisering en - nog erger - de opkomst van een georganiseerd
proletariaat, en wilde dit hoe dan ook voorkomen. De kerk zag wel heil
in Limburg als standplaats voor arbeiders, getuige een resolutie van de
Nederlandse bisschoppen uit 1915, waarin onder meer te lezen is dat zij
`zullen trachten maatregelen te treffen om hun arbeiders, die thans
naar de groote steden van Amsterdam en Rotterdam trekken, te leiden naar
de kolendistricten in Limburg waar minder en geringer gevaren hun geloof
en deugd bedreigen.' De staat had kennelijk minder vertrouwen in het
rotsvaste geloof en de volgzaamheid der Limburgers, want een van de belangrijkste
argumenten om met staatsexploitatie van de kolenbekkens te beginnen was
het voorkomen dat de Limburgse mijnindustrie zich te snel zou ontwikkelen,
waardoor veel buitenlandse arbeidskrachten aangetrokken zouden moeten worden.
Met een geleidelijke opbouw van grote staatsmijnen zou de staat ervoor
kunnen zorgen, dat het grootste deel van de noodzakelijke arbeidskrachten
in Nederland gerecruteerd kon worden. Uiteindelijk zouden zich toch veel
buitenlandse mijnwerkers in de Oude Mijnstreek vestigen, met name Duitsers,
Polen, Italianen, Slovenen en Oostenrijkers.
Een ander middel om eventuele grootstedelijke
problematiek en de vorming van een georganiseerd mijnwerkersproletariaat
tegen te gaan was de manier van huisvesting. In het begin van deze eeuw
verrezen in de Oude Mijnstreek talloze nieuwe wijken voor mijnwerkers,
in het HAN `kolonies' (met de klemtoon op de laatste lettergreep) genoemd.
Deze kolonies bestaan uit laagbouw en ieder huis heeft een lapje grond.
De Heerlense kolonies, ongeveer een derde van alle kolonies in de Oude
Mijnstreek, zijn gesitueerd aan de noordkant van de spoorlijn Sittard-Herzogenrath,
terwijl de oude kern van Heerlen aan de zuidkant ligt. De kolonies waren
voor het grootste deel eigendom van de mijnen, die ook daar het dagelijks
leven van de mijnwerker bepaalden. Zo had bijna iedere kolonie zijn eigen
politiedienst en kon aan ontslagen mijnwerkers de toegang tot de wijk worden
ontzegd. Het dagelijks leven van de bewoners van de kolonies voltrok zich
in de mijn en binnen de eigen wijk, en door de geïsoleerde ligging
van de mijnwerkersbuurten kwam het niet of nauwelijks tot contact met de
oorspronkelijke Heerlense bevolking noch met mijnwerkers die in andere
kolonies woonden: zij werden van elkaar gescheiden door akkers of door
niemandsland. Op deze manier kon de oorspronkelijke bevolking van Heerlen
trouw blijven aan haar oude levensstijl. De nieuwkomers, die van het dorp
een stad maakten, waren immers aan hun zicht onttrokken. Zeker in het begin
van de mijntijd kunnen de gerecruteerde mijnwerkers nauwelijks invloed
op het leven van de Heerlenaar uitgeoefend hebben, en het was niet in de
laatste plaats de kerk die de autochtone inwoners van Heerlen waarschuwde
voor de gevaren die omgang met de nieuwelingen met zich meebracht. Nog
voor de komst van de mijnwerkers naar Heerlen zei de invloedrijke geestelijke
dr. H.A. Poels al over Limburgers die elders hadden gewerkt en in contact
waren gekomen met niet-Limburgers: `Eerst in de winter komen ze in de
Heimat weer, en hebben dan geen gaten in hun kousen of beurs, ze kregen
dikwerf een gat in hun braaf, echt Limburgsch volkskarakter.'
De komst van de mijnen in Limburg
maakte niet alleen dat Heerlen met een grote toeloop van mijnwerkers te
maken kreeg. De stad werd ook meer en meer bestuurscentrum, wat af te leiden
is uit het feit dat in Heerlen verreweg de meeste ambtenarenwoningen van
de mijnstreek gebouwd werden. In de jaren dertig had Heerlen percentueel
zelfs de minste mijnwerkers van de drie steden in de Oude Mijnstreek (zie
tabel 1), absoluut echter herbergde de stad de meeste nieuwkomers.
Tabel 1: percentage mijnwerkers
in de drie steden van de Oude Mijnstreek (bron: Vellinga 1975)
| 1931 | 1935 | 1938 | |
| Heerlen | 42% | 32% | 32% |
| Kerkrade | 53% | 41% | 44% |
| Brunssum | 67% | 57% | 59% |
Omdat Heerlen de hoofdstad van de
Oude Mijnstreek was geworden, telde de plaats het hoogste aantal werknemers
in bestuur, verkeer en onderwijs. Bovendien werd de marktfunctie die de
stad van oudsher had uitgebreid, waardoor in het centrum een relatief grote
middenstand ontstond. Tot een vermenging van de verschillende bevolkingsgroepen
in Heerlen is het echter nooit gekomen: de mijnwerkers leefden in hun kolonies,
de middenstanders en een deel van de oude Heerlenaren in het centrum of
in de gesloten gemeenschappen van wijken als Heerlerheide, Heerlerbaan
en Welten en de hogere beambten, door de bevolking veelal met argwaan bekeken
omdat ze `Hollanders' waren, woonden in Heerlen-Zuid. De strenge hiërarchie
die in de mijnen heerste, heeft zeker ook tot een segregatie in de Heerlense
gemeenschap geleid, met in Heerlen-Noord de `lagere kaste' en in Heerlen-Zuid
de `hogere kaste'. Dit onderscheid is tot op de dag van vandaag intact
gehouden: in Noord wonen relatief veel ongeschoolde arbeiders (en de werkeloosheid
is er hoog), terwijl Zuid thuis is voor velen die werkzaam zijn in de vrije
beroepen of in het hogere kader van de grote bedrijven met aanzien als
abp, cbs en dsm.
Waar in de oude wijken van Heerlen
de sociale structuur zeer hecht was, bleef de door kerk, staat en mijndirecties
zo zeer gewenste sociale samenhang in de kolonies uit. Daarvoor was het
verloop te groot. Omdat wonen in een kolonie gekoppeld was aan een baan
bij een van de mijnen, moesten ontslagen werknemers de wijk nemen uit hun
buurt. Zoals tabel 2 laat zien, is de mobiliteit onder de mijnwerknemers
zeer groot geweest, waardoor mensen die in kolonies woonden vaak nauwelijks
in staat waren om hun buren te leren kennen.
Tabel 2: Verloop onder werknemers
in de particuliere mijnen 1911-1930 (Bron: Cornips, 1994)
| jaar | 1911-1912 | 1913-1919 | 1920-1930 |
| gemiddeld aantal arbeidsplaatsen | 5.993 | 7.688 | 14.228 |
| totaal ontslagen arbeiders | 3.859 | 5.099 | 3.937 |
| in dienst genomen | 4.287 | 5.779 | 4.471 |
Vanaf 1931 werd de in 1929 ingezette economische wereldcrisis voelbaar in de Limburgse mijnen. Voor het eerst ontstond een overschot aan werknemers. Er moesten, met andere woorden, ontslagen vallen. Het ontslagbeleid in de jaren dertig zou in onze tijd stormen van protest losweken: er werd niet aan getwijfeld of de buitenlandse mijnwerkers vlogen als eerste de laan uit, tenzij ze niet of moeilijk vervangbaar waren of zwaarwegende familierelaties in de omgeving van Heerlen hadden. De gevolgen voor de samenstelling van het personeelsbestand van de mijnen waren aanzienlijk: het aantal Nederlanders bleef ongeveer gelijk, het aantal buitenlanders slonk drastisch. In 1931 bedroeg het aandeel van buitenlanders nog 39,3 procent, in 1939 was dit percentage gedaald tot 13,6. Het is, door de restricties die aan het ontslagbeleid waren verbonden, aan te nemen dat de buitenlanders die de crisis in de mijnen overleefden, goed tot zeer goed geassimileerd waren in Heerlen (of tenminste in de kolonie waarin zij woonden).
2. HET ONTSTAAN EN
DE SPREIDING VAN HET HAN. EEN THEORIE
2.1 De taalsituatie voor de komst
van de mijnen
Het is aan te nemen, dat het negentiende-eeuwse
dorpje Heerlen een tweetalige situatie kende. Contacten met mensen binnen
de regio verliepen in het Limburgs (Heerlens) dialect, andere contacten
verliepen in het Duits. In ieder geval moeten de inwoners van Heerlen goed
Duits verstaan hebben, want op die in Heerlerheide na werd in 1900 nog
in iedere Heerlense kerk uit de onvertaalde Keulse catechismus (dus in
het Hoogduits) gepreekt. Bovendien waren er veel contacten over de grens.
Nu zullen de meeste van die contacten in het dialect zijn verlopen, maar
Aken had als grote stad met een universiteit (vanaf 1870) en een bloeiende
economie een grote aantrekkingskracht op velen uit het net ontloken Duitse
rijk, zodat het Hoogduits de voertaal in deze stad werd. Onder invloed
van het onderwijs was er in Heerlen ook een elite ontstaan die het standaard-Nederlands
machtig was, maar het is niet aannemelijk dat deze elite groot was. Het
duurde zelfs tot de eerste wereldoorlog voordat in de Heerlense raadzaal
de plaats van het dialect als voertaal werd overgenomen door het standaard-Nederlands.
Het Heerlens dialect bevindt zich
in dialect-geografische zin binnen de Ürdinger Linie(3)
(de eerste klankverschuiving, ook wel de grens van het Limburgs) nèt
ten westen van de Benrather Linie, beter bekend als de Hoogduitse klankverschuiving.
Ten oosten van deze linie veranderen onder andere peët (paard)
in pferd, laupe (lopen) in laufe en make (maken)
in
mache (zie kader 1).
Kader 1: de Hoogduitse klankverschuiving.
| p –pf / ##_
k –x / [-cons]_[-cons] p –f / [-cons]_Y |
Heerlen ligt in het gebied waar deze
verschuiving plaatsvindt, het zogenaamde Ripuarische overgangsgebied, maar
het Heerlens dialect kent de meeste verschuivingen die wel in de dialecten
van Kerkrade, Simpelveld, Bocholtz en Vaals zijn doorgevoerd niet. De klankverschuivingen
als in kader 1 hebben zich in het Heerlens dialect net zomin voorgedaan
als het de Ripuarische dialecten (dialecten binnen de Benrather Linie)
typerende woordbegin-j waar in het standaard-Nederlands een [g] gerealiseerd
wordt (Ich haan miene joemiejas vejesse). Wel heeft het Heerlens
met bijvoorbeeld het Kerkraads dialect gemeen dat de postvokale [r] die
voorafgaat aan een [t s ts] weggelaten wordt (Hinskens 1993).
r -ø / [-cons]_[+dent; -stem](4)
Hierdoor onderscheidt het Heerlens
dialect zich van andere Limburgse dialecten als bijvoorbeeld het Sittards
in woorden als
| Sittard | Heerlen | |
| kort | kot | (kort) |
| barj(t) | basj(t) | (barst) |
| peert | peët | (paard) |
Hierbij zij nog aangetekend, dat deze
postvokale r-deletie bij veel sprekers van het Heerlens dialect voor iedere
obstruent en zelfs voor half-vokalen voorkomt, getuige de naam van de plaats
[he:l] (Heerlen). Hiermee verandert de eerder geformuleerde regel in
r -ø / [-cons]_[+cons].
In andere klankkenmerken komt het
Heerlens dialect nagenoeg overeen met andere Limburgse dialecten. Voor
zover deze van belang zijn (bijvoorbeeld de karakteristieke intonatie,
de woordfinale t-deletie en de regressieve assimilatie) worden deze in
de beschrijving van het HAN behandeld.
2.2 De verschuiving
Er zijn verschillende theorieën
denkbaar die het ontstaan van het HAN kunnen verklaren. In zekere zin is
HAN een creolentaal, dit wil zeggen een taal, die in eerste instantie is
ontstaan uit noodzaak omdat verschillende mensen in een bepaalde situatie
elkaar niet konden verstaan (een taal, die wordt voorafgegaan door een
zogenaamde pidgin), en die door de kinderen van de pidgin-sprekers
als moedertaal is overgenomen. In eerste instantie heb ik het HAN ook als
creolentaal aangemerkt, zij het dat de in hoofdstuk 1 beschreven wijzigingen
in de sociale context van Heerlen deze theorie tegenspreken. De sprekers
van het standaard-Nederlands, de beambten die uit westelijk Nederland kwamen,
woonden immers streng van de andere nieuwkomers en van de autochtone Heerlenaren
gescheiden in Heerlen-Zuid en de zeer strenge hiërarchie binnen de
mijnen maakt het ook onwaarschijnlijk dat er veel (noodzakelijk) contact
was tussen diegenen die Limburgs spraken en de standaardtaal-sprekers.
Ondanks de onwaarschijnlijkheid dat het HAN een creolentaal is, zijn er
wel overeenkomsten met creolentalen aan te wijzen. Zo is HAN inderdaad
ontstaan uit twee (of meerdere) talen; in ieder geval uit het Heerlens
dialect en het standaard-Nederlands. Ook is HAN in de loop der tijd voor
velen moedertaal geworden, en de ontwikkeling is te kenschetsen als wat
Ton Boves in zijn Inleiding in de sociolinguïstiek noemt: `taalvariëteiten
in de magnetron'; het is aannemelijk dat de eerste vorm van HAN binnen
het bestek van één generatie is ontstaan. Hier staat echter
tegenover, dat een creolentaal doorgaans een continue ontwikkeling richting
standaardtaal doormaakt, terwijl het niet onwaarschijnlijk is dat het eerste
HAN nauwelijks afwijkt van het HAN dat nu in de straten van Heerlen te
horen is. De verschuiving heeft zeer snel plaatsgevonden, en is toen even
snel weer gestopt. Zo is er bij de door mij onderzochte taaldata nauwelijks
een verschil waar te nemen tussen oudere en jongere HAN-sprekers, terwijl
Cornips, die over beduidend meer data beschikte dan ik, bij enkele syntactische
constructies die wel in het HAN en niet in het standaard-Nederlands voorkomen
ontdekte dat zij door jongere sprekers in grotere frequentie gerealiseerd
worden dan door oudere sprekers. Dit spreekt het kenmerk van een creolentaal,
dat een verschuiving in de richting van de standaardtaal plaatsvindt, tegen.
De fout die ik maakte, is dat ik het onderscheid tussen `internal language
change' en `external language change', zoals door Akmaijan, Demers en Harnish
aangebracht, te gemakkelijk verwisselde met `natuurlijke taalverandering'
en het ontstaan van een pidgin. Het ontstaan van het HAN is hoe
dan ook een `external language change', omschreven als `If a change
begins in one area, it is possible to follow its progress, through time,
as it moves wavelike through a community of speakers.' (Akmaijan e.a.)
Iedere externe verandering aanmerken als creolisering of `pidginisering'
doet de werkelijkheid echter onrecht: de verschijnselen turbo-taal, slang
en argot zijn dan niet te vatten. In navolging van Cornips behandel ik
HAN als mesolect, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen een brontaal
(Heerlens dialect en eventueel andere oostelijke dialecten) en een doeltaal
(standaard-Nederlands). De sociale context van Heerlen ten tijde van de
mijnactiviteit kunnen dan het uiteindelijke HAN, dat gezien kan worden
als `imperfect Nederlands', verklaren.
De sprekers van de doeltaal vormden
tijdens het ontstaan van het HAN in verhouding een kleine groep op de totale
bevolking van Heerlen. Bovendien was het een groep, die door toedoen van
de strenge hiërarchie die op die plaats en in die tijd gold weinig
contacten had met de oorspronkelijke, dialectsprekende bevolking of met
de andere groepen nieuwkomers die Heerlen aan het begin van deze eeuw binnen
zijn grenzen kreeg. Wel wordt de groep steeds groter: in 1909 zijn bij
alle staatsmijnen in Limburg 66 beambten in dienst en in 1952 3.823. Relatief
gezien stijgt het aantal beambten ook: van één op de dertien
mijnwerkers in 1909 tot één op de acht in 1952 (Cornips).
In het begin van deze eeuw was het standaard-Nederlands nog niet goed toegankelijk
voor Heerlenaren, en het is aan te nemen dat de kleine groep sprekers ervan
de enige weg was waarlangs de dialectsprekers en de immigranten deze `nieuwe
taal' konden leren. De groep was niet alleen erg klein, de segregatie binnen
de Heerlense gemeenschap stond ook in de weg dat de `gemiddelde Heerlenaar'
direct kennis kon nemen van het standaard-Nederlands. De enigen die in
contact konden komen met de westelijke Nederlanders, waren de mensen die
deel uitmaakten van de autochtone elite. In deze piramide-achtige constructie
kwam het grootste deel van de bevolking via een omweg in aanraking met
het standaard-Nederlands, wat het imperfect leren ervan verklaart, in die
zin dat er veel interferenties van de oorspronkelijke taal mogelijk waren
en zich voordeden. De snelle taalverschuiving, het kleine aantal doeltaalsprekers
en een groot aantal sprekers van de brontaal kunnen volgens Thomason en
Kaufman (1988) verklaren dat veel sprekers constructies in de doeltaal
realiseerden, die oorspronkelijk alleen in de brontaal voorkwamen. Een
vloeiende tweetaligheid was op grond van onbekendheid uitgesloten. De beambten
(die zich overigens wel permanent in Heerlen vestigden) konden slechts
aan de elite uit de autochtone bevolking een continue taalinput geven.
Een taalinput overigens, die een zeer hoge status had, wat doorsijpelen
naar lagere lagen in de Heerlense bevolking bespoedigde. In wezen is in
Heerlen, zonder dat dit de bedoeling was, een model in werking gezet dat
sterk lijkt op het taalaccomodatiemodel van Giles (1973), dat inhoudt dat
mensen die met elkaar spreken hun taalrealisatie zó veranderen dat
de onderlinge verschillen kleiner worden: de autochtone Heerlenaren en
de grootste groep nieuwkomers convergeren in de richting van het
standaard-Nederlands, de taal van de groep met het meeste aanzien, en waarvan
aangenomen kan worden dat zij linguïstisch homogeen was. Alleen: een
directe confrontatie tussen de ene groep en de andere groep heeft niet
of nauwelijks plaatsgevonden. Er heeft een intermediair tussen gezeten,
die de situatie in Heerlen uniek maakt binnen Nederland.
Aan het begin van deze eeuw was de
taalsituatie ten aanzien van het Nederlands in Heerlen tamelijk homogeen.
Verreweg het grootste deel van de bevolking sprak Heerlens dialect, er
was een kleine groep mensen die het standaard-Nederlands machtig was en
wellicht ook nog een groepje dat een regionale variant van het Nederlands
beheerste, een soort voorloper van het HAN. Met name in het eerste kwart
van deze eeuw steeg het inwonersaantal van Heerlen aanzienlijk. De nieuwkomers
waren vooral Drenthen, Friezen en Groningers, waardoor andere Oostnederlandse
dialecten hun intrede deden. Deze nieuwkomers werden gehuisvest in de kolonies,
zodat er nauwelijks contacten met de autochtone bevolking bestonden. In
deze kolonies werden de mijnwerkers ongeacht herkomst geplaatst, wat gunstig
was voor de assimilatie van de buitenlandse nieuwkomers. Zij pasten zich
snel aan de situatie in Heerlen aan en er vonden veel huwelijken plaats
tussen buitenlanders en Nederlandse (ook Heerlense) vrouwen. Dit is echter
waarschijnlijk niet doorslaggevend geweest voor het ontstaan van het HAN:
in de kolonies woonden namelijk bijna geen autochtone Heerlenaren, dus
het Nederlands dat er werd gesproken zal Noordoostelijk gekleurd geweest
zijn. Belangrijker is, dat na de internationale crisis nagenoeg alleen
Nederlandse mijnwerkers in de kolonies bleven wonen als gevolg van het
selectieve ontslagbeleid van de mijndirecties. De Nederlandse nieuwkomers
konden zich permanent in Heerlen vestigen, en zowel voor hen als voor de
autochtone bevolking loonde het om zich het standaard-Nederland eigen te
maken. Dit had namelijk een gunstige invloed op een carrière binnen
de mijnen.
Deze ontwikkelingen hebben naar alle waarschijnlijkheid een eerste generatie HAN-sprekers opgeleverd. Een groep, die nog niet al te groot was, aangezien er voor de meeste sprekers van het Heerlens dialect nog geen noodzaak was om zich het standaard-Nederlands eigen te maken. Pas bij de tweede generatie heeft het HAN zich als standaard-Heerlens gemanifesteerd. Er ontstond een eerste groep mensen die HAN als moedertaal sprak, en bij de kinderen van de immigranten die noordoostelijk gekleurd Nederlands spraken, is de kans groot dat zij kenmerken van de regionale taal overnamen (Scholtmeijer 1992). Gingen deze kinderen in de mijnen werken (de kans daarop was erg groot), dan werden zij dagelijks geconfronteerd met een Nederlands dat doordrenkt was met kenmerken van het Heerlense dialect. Breij (1991) geeft een lijst van vaktermen die ondergronds werden gebruikt, en aan deze lijst valt vooral de hoeveelheid Limburgse woorden op. Was Heerlen aan het begin van deze eeuw nog tweetalig, nu kon er ten koste van het Heerlens dialect een ééntalige situatie ontstaan.
3. KENMERKEN VAN
HET HUIDIGE HAN
3.1 De positie van het HAN ten
opzichte van het standaard-Nederlands
Het is bij een sociolinguïstisch
onderzoek vaak niet gemakkelijk om taalkundige variabelen te scheiden van
idiomatische eigenaardigheden van de spreker en van versprekingen. Absolute
zekerheid over het al dan niet taalkundige variabele zijn van een geregistreerd
taalfeit is nauwelijks te verkrijgen, of de hoeveelheid onderzochte taaldata
zou al bijna even groot moeten zijn als het totaal aan data dat in de onderzochte
taalvariëteit wordt gerealiseerd. Dat een onderzoek met een dergelijke
turf data praktisch onmogelijk is, behoeft geen betoog. Ik heb in dit onderzoek
echter het voordeel dat ik al geruime tijd in Heerlen woon en op basis
van intuïtie kan zeggen of een gerealiseerd taalfeit al dan niet tot
het corpus van het HAN gerekend kan worden. Waar mijn intuïtie me
in de steek liet of er een andere reden tot twijfel was, heb ik het taalfeit
aan tenminste vijf HAN-sprekers voorgelegd met de vraag, of dit gebruikelijk
was in de onderzochte taal. Niet een wetenschappelijk waterdichte, maar
naar ik hoop wel een aanvaardbare methode.
Om het HAN te beschrijven gebruik
ik een aangevulde indeling van taalkundige variabelen zoals die door Boves
en Gerritsen (1995) is aangebracht, te weten:
(a) suprasegmentele variabelen:
dit zijn de variabelen in klemtoon en in intonatie (wordt samen met de
fonetische en de fonologische variabelen behandeld);
(b) fonetische variabelen:
de variabelen in taalklanken. In afwijking van Boves en Gerritsen voeg
ik hier ook de fonologische variabelen aan toe, die de wijze waarop
taalklanken elkaar beïnvloeden behelzen;
(c) morfologische variabelen:
de variabelen in het samenstellen van woorden;
(d) lexicale variabelen: de
variabelen in woorden die dezelfde betekenis hebben;
(e) syntactische variabelen:
de variabelen in zinsbouw. Omdat de van het standaard-Nederlands afwijkende
zinsconstructies in het HAN vaak een betekenisonderscheid in zich meedragen,
behandel ik onder deze kop ook de semantische variabelen, die gaan
over betekenissen van taaluitingen, en
(f) pragmatische variabelen:
die de interpreteerbaarheid van taalhandelingen in een sociale context
behelzen (bijvoorbeeld het gebruik van de respectievelijke afscheidsgroeten
dag, doei, hoi of adieje wà).
Niet op al deze punten is de verschuiving van Heerlens dialect naar standaard-Nederlands even ver gegaan. Zo komt het pragmatische paradigma van het HAN overeen met dat van het Nederlands. Met aanspreektitels, begroetingen, afscheid en dergelijke zal een HAN-spreker nooit problemen krijgen als hij Heerlen verlaat. Dat de afscheidsgroet adieje (in het HAN zeer zeldzaam) alleen in Zuidoost-Limburg voorkomt, is een lexicaal verschil met het standaard-Nederlands. Het westelijke `doei' heeft dezelfde pragmatische functie.
Ook de morfologische component van
het HAN komt nagenoeg overeen met die van het standaard-Nederlands. Het
regelmatig ontbreken van het suffix -t bij verbums in de tweede en derde
persoon enkelvoud tegenwoordige tijd, door enkelen voor mij aangemerkt
als morfologisch verschil met het standaard-Nederlands, heeft in mijn ogen
een fonologische oorzaak. Ik hoop dat ik daar bij de behandeling van de
fonologie van het HAN voldoende bewijs voor lever. Wie zegt dat in het
HAN meer samenstellingen mogelijk zijn dan in het standaard-Nederlands,
bevindt zich op glad ijs. Met name substantiva in de standaardtaal worden
in hun derivationele morfologie steeds actiever, getuige steeds vaker te
horen woorden als `Nederlandsleraar' en `practicumlokaal'. Cornips (1994)
merkt wèl een morfologische verschil tussen HAN en standaard-Nederlands
op, namelijk het gebruik van het artikel 't voor dagaanduidingen
als in 't zaterdags. Hulde aan haar opmerkingsvermogen: meestal
is dit artikel nauwelijks hoorbaar. In mijn testdata komt dit verschijnsel
niet voor, op straat en in de winkel kom ik het sporadisch tegen.
Hoewel de verschuiving op lexicaal niveau van het oorspronkelijke dialect naar de standaardtaal ook bijna volledig is, komen er enkele verschillen voor die de moeite van het bespreken waard zijn. Hetzelfde geldt voor syntactische variabelen, al is hier de verschuiving minder volledig. Wellicht zijn HAN-sprekers zich minder van deze verschillen bewust. Navraag bij de door mij geïnterviewden bevestigt deze these: zij zijn zich veel meer bewust van de woorden die zij gebruiken dan van de syntactische constructies waarin zij deze gieten. De sociale context tijdens het ontstaan van het HAN zal dan debet zijn geweest aan het feit dat de syntaxis van de standaardtaal minder invloed op het HAN heeft gehad dan haar woordenschat: waar direct contact met `native speakers' ontbreekt, ontstaan als eerste verschillen op die niveaus, die sprekers minder bewust hanteren.
Een verschuiving op suprasegmenteel,
fonetisch en fonologisch niveau heeft nauwelijks plaatsgevonden. Op deze
niveaus is het HAN nagenoeg identiek aan het Heerlens dialect. Een Heerlenaar
is onmiddellijk te herkennen aan zijn tongval, een reden hiervoor is wellicht
te vinden in de in paragraaf 2.2 beschreven definitieve vestiging van het
HAN als standaard-Heerlens onder invloed van een tweede generatie HAN-sprekers.
3.2 Suprasegmentele, fonetische
en fonologische variabelen
Op het gebied van klank en tongval
is de verschuiving van Heerlens dialect naar standaard-Nederlands het minst
volledig geweest. Zoals iedere Limburger, is de HAN-spreker onmiddellijk
te herkennen aan zijn klanken. Op mijn vraag aan de geïnterviewden
of er wel eens de draak wordt gestoken met hun taal, kreeg ik vaak te horen
dat het alleen de klank (en dan met name de zangerigheid en het `lange
rekken' van gespannen vokalen) was die door lolbroeken werd uitgebuit,
met name in militaire dienst. Overigens zullen het niet alleen Heerlenaren
zijn, die in sommige gevallen een dikke huid moeten hebben. De afwijkingen
in klank en tongval van het HAN ten opzichte van het standaard-Nederlands
zijn waar te nemen bij nagenoeg iedere Limburger. Ik ben er zelfs niet
zeker van, dat een Heerlenaar in Limburg vaak herkend wordt aan zijn klank;
het zijn eerder de andere variabelen in zijn taal die hem van zijn mede-Limburgers
onderscheiden. Ik heb maar één (fonologische) variabele kunnen
vinden, die nagenoeg alleen in Heerlen en omgeving te horen is, en dat
is de [š] die in sommige gevallen in plaats van de standaard-Nederlandse
[s] wordt gerealiseerd. Hierover later meer.
HAN-sprekers krijgen van niet-Limburgse
Nederlanders vaak te horen dat ze zingen, en de meesten zijn zich hier
ook van bewust. Maar weinig HAN-sprekers kennen de oorzaak van deze `zangerigheid'.
Alle dialecten binnen de Ürdinger Linie kennen een verschil tussen
sleep- en stoottoon. Bij stoottoon gaat de hoogte van een vocaal omlaag,
bij sleeptoon gaat deze omhoog. Zo hebben in het Heerlens dialect de woorden
[we:/x] (weg, straat) en [we:\x] verschillende betekenissen, in die zin
dat weag met stoottoon meervoud is, en weag met sleeptoon
enkelvoud. Zo zijn er meerdere minimale paren, die tonen dat [+stoottoon]
en [-stoottoon] distinctieve kenmerken zijn in Limburgse dialecten, terwijl
dit onderscheid in het standaard-Nederlands niet voorkomt. Toch realiseert
een HAN-spreker ook sleep- en stoottonen, zonder dat deze in het HAN distinctief
zijn. Net zomin als bijvoorbeeld de umlaut bij de nomen agentis in het
Heerlens dialect, die overigens samengaat met sleep- en stoottoon als in
| verbum | nomen agentis |
| ba/kke (bakken) | be\kker (bakker) |
| sjla/chte (slachten) | sjle\chter (slager) |
| verkau/pe (verkopen) | verkui\per (verkoper) |
heeft het onderscheid sleep-
en stoottoon uit het dialect zich gehandhaafd in het HAN. Wel worden in
de genoemde voorbeelden de sleep- en stoottonen uit het Heerlens dialect
gerealiseerd, en is bij het gebruik van sleep- en stoottoon zondigen tegen
de grammatica van de brontaal in het HAN niet mogelijk, zodat
(1) a. *ba\kken
b. *ba/kker
uitgesloten zijn. Zoals al is gezegd, is de morfologie van het HAN nagenoeg dezelfde als die van het standaard-Nederlands. Het is echter aan te nemen, dat het onderscheid tussen sleep- en stoottoon niet alleen morfologisch, maar ook suprasegmenteel in het oorspronkelijk dialect verankerd is, zodat met name de tweede generatie HAN-sprekers (zie paragraaf 2.2) het heeft overgenomen als puur suprasegmenteel verschijnsel. Dit wordt bevestigd door het feit dat sleep- en stoottoon in het HAN geen distinctief vermogen meer hebben; er zijn geen minimale paren in het HAN te vinden op basis van dit onderscheid. Wordt een woord in het HAN met sleeptoon uitgesproken, dan bestaat er geen variant met stoottoon en andersom. Dat sleep- en stoottoon in het HAN overleefd heeft en de umlaut, die toch zeker zo productief in Limburgse dialecten is, niet, heeft waarschijnlijk te maken met de herkenbaarheid van de umlaut als morfologisch verschijnsel, terwijl het morfologische karakter van sleep- en stoottoon vaak onduidelijk is.
Het lukt niemand, om de realisatie
van sleep- en stoottonen uit het HAN te weren, terwijl de meeste geïnterviewden
aangeven dat zij de `zangerigheid' in het HAN als lelijk ervaren, en er
ook velen zijn, die ermee geplaagd werden. Niet-dialectsprekers, die de
functie van sleep- en stoottonen in hun moedertaal niet kennen, zijn in
dezen niet te onderscheiden van geïnterviewden die (Heerlens) dialect
als moedertaal hebben.
Niet alleen het aanwenden van sleep-
en stoottonen, maar ook de manier waarop gespannen vokalen gerealiseerd
worden geeft met name bij niet-Limburgers het idee dat HAN-sprekers `gerekt'
spreken. Waar een randstedeling de neiging heeft om gespannen vokalen te
diftongeren, zodat hij `souwn mooai boutje aan seij' heeft, spreekt een
HAN-spreker deze klanken uit als reine monoftongen, exact zoals ze geschreven
zijn. De klank verandert dus niet of nauwelijks van kleur, waardoor westerlingen
snel het idee dat een HAN-spreker langzamer praat. Bovendien heeft een
HAN-spreker, net als de spreker van Heerlens dialect, de neiging om vokalen
te `ronden', dat wil zeggen dat hij zijn lippen meer en eerder rondt dan
een westelijke Nederlander. Hierdoor gaat de [Ùy] van buik
richting [œ] van beuk, neigt de [a] van bal naar de [É]
van bol en de [a] van baas naar de [o] van boos. Alle
HAN-sprekers die ik heb geïnterviewd neigen bij alle vokalen naar
een sterkere ronding dan in het standaard-Nederlands gebruikelijk is.
Fonologisch heeft het HAN zich ver
in de richting van het standaard-Nederlands ontwikkeld. Zo is er in het
HAN bijvoorbeeld niets meer te merken van de het Heerlens dialect typerende
postvokale r-deletie (zie hoofdstuk 2.1). Toch zijn er drie opvallende
kenmerken uit het Heerlens dialect in het HAN gebleven, die in het standaard-Nederlands
niet voorkomen. Twee van deze kenmerken worden door de verschillende HAN-sprekers
in zeer verschillende mate gerealiseerd. Over het algemeen geldt, dat hoger
opgeleiden en niet-dialectsprekers fonologisch dichter bij het standaard-Nederlands
staan.
Vaak is een HAN-spreker snel te herkennen aan een verhoging van de [s] voor een consonant (zie kader 2). Een [x] die na deze klank komt, verdwijnt. Wellicht dat een HAN-spreker in de oorlog na het uitspreken van een van de wachtwoorden `Scheveningen' of `schaapscheerder' het loodje had gelegd. Hij spreekt deze woorden, net als in het Heerlens dialect, `op z'n Duits' uit als [šev¶nIh¶] en [šapše:rd¶r].
Kader 2: de verhoging van [s]
| s – š / X_[+cons] |
Overigens was deze klankverandering
zeer gevoelig voor de observers paradox, want op mijn bandopnamen
is hij nergens duidelijk te horen, terwijl ik hem in Heerlen (ook gerealiseerd
door enkele van de geïnterviewden) dagelijks hoor. Wat hierbij bijzonder
opvalt, is dat hij in hogere frequentie bij jongere dan bij oudere HAN-sprekers
te horen is; in de tijd dat ik stage liep aan een VBO-school in Heerlen
heb ik onder de geschetste omstandigheden bij slechts een klein deel van
de leerlingen een [s] gehoord. HAN-sprekers zijn zich dus redelijk ervan
bewust dat dit HAN-kenmerk in het standaard-Nederlands niet voorkomt (anders
had ik hem ook op band waar kunnen nemen), terwijl het relatief vaak voorkomen
onder jongere sprekers erop kan duiden dat er in het HAN op dit punt een
verschuiving van standaard-Nederlands naar Heerlens dialect plaatsvindt.
Het lijkt er vooralsnog op, dat het proces van verhoging van de [s] tot
Heerlen en onmiddellijke omgeving beperkt blijft; nader onderzoek zou hierover
uitsluitsel kunnen geven.
Wat wel bij iedere geïnterviewde
(en bij iedere HAN-spreker), ongeacht achtergrond waar te nemen is, is
het verschijnsel regressieve assimilatie. Dit houdt in, dat een
klank zich aanpast aan de erop volgende. De regressieve assimilatie die
opvallend in het HAN (en bij iedere Limburger) voorkomt, is dat een stemloze
consonant een stemhebbende wordt als er een stemhebbende klank op volgt.
Westelijke Nederlanders hebben eerder de neiging tot het tegenovergestelde:
bij hen is een voorliefde voor [-stem] waar te nemen. Hierdoor valt het
des te meer op, dat een HAN-spreker de trab-op gaat. Overigens is het voor
mij als Limburger vaak moeilijk om dit verschijnsel bij de staart te pakken:
vooral als iemands HAN sterk naar het standaard-Nederlands neigt, zie ik
het verschijnsel gemakkelijk over het hoofd. Zo hoorde ik in eerste instantie
niet, dat een goede vriend van me (bijna standaardtaal-spreker) een duidelijke
voorkeur voor [+stem] heeft, totdat ik mijn gesprek met hem analyseerde
op dit verschijnsel en op zinnen stuitte als
(2) [hela:s wel ja, dad dad dagd ik...dad
Iz imant med ¶ñ lag¶ ÉpleidIh]
(Helaas wel ja, dat dat dacht ik...dat
is iemand met een lage opleiding)
Merk hierbij op dat deze spreker niet
iedere stemloze klank stemhebbend maakt als gevolg van de geschetste regressieve
assimilatie: de [s] van helaas en de [t] van iemand blijven stemloos.
Toen ik begon met mijn onderzoek naar
het HAN, verbaasde ik me erover dat het erop leek dat de vervoeging van
verbums bij een enkelvoudig onderwerp in de tegenwoordige tijd niet geheel
verschoven is van het systeem van het Heerlens dialect naar dat van het
standaard-Nederlands, getuige bijvoorbeeld de rijtjes
| Heerlens dialect | standaard-Nederlands | HAN |
| ich mak | ik maak | ik maak |
| doe maks | jij maakt | jij maak(t) |
| hea mak | hij maakt | hij maak(t) |
| ich rol | ik rol | ik rol |
| doe rols | jij rolt | jij rolt |
| hea rolt | hij rolt | hij rolt |
De slot-t bij `maken' in de tweede en derde persoon is in het HAN facultatief. Wanneer iemand deze -t uitspreekt en wanneer niet, is niet te voorspellen. Iedere geïnterviewde liet hem dan weer een keer weg, dan weer niet. In het Heerlens dialect komt in het geval van `maken' nooit een -t, dus ik dacht in eerste instantie te maken te hebben met een morfologische afwijking ten opzichte van het standaard-Nederlands, in die zin dat de verschuiving van het buigingsysteem van verbums niet volledig is. In het HAN komen meerdere keuzemogelijkheden voor tussen de dialectische en de standaardvariant, het in de volgende paragraaf besproken verschijnsel `voor als complementeerder voor infinitiefzinnen' is daar een goed voorbeeld van. Toch is het in dit geval onwaarschijnlijk dat zich een onvolledige verschuiving op morfologisch niveau heeft voorgedaan: het is veel eenvoudiger om het probleem als een fonologisch verschijnsel op te lossen.
Zoals de bovenstaande rijtjes vervoegingen
al laten zien, kent het Heerlens dialect twee mogelijkheden om regelmatige
verbums te vervoegen in enkelvoud en in de tegenwoordige tijd, namelijk
(stam+ø; stam+s; stam+ø) en (stam+ø; stam+s; stam+t).
Achter het al dan niet voorkomen van een -t in de derde persoon schuilt
een fonologische regel, de woordfinale t-deletie regel. Deze schrijft
voor, dat achter een obstruent aan het woordeinde nooit een t kan komen:
t - ø / [+obs]_##
Deze regel is in het HAN facultatief:
een HAN-spreker kan een pond gehakø gekocht hebben. De woordfinale
t-deletie regel kàn interfereren met het standaard-Nederlandse
buigingsysteem van verbums, maar dan is het niet aannemelijk dat de HAN-spreker
een ander buigingsysteem hanteert: nadat hij een verbum grammaticaal aangepast
heeft, verandert de fonologische regel de uiteindelijke oppervlaktestructuur
ervan. Dit maakt het proces bij verbums gelijk aan dat bij woorden uit
een andere woordsoort, waardoor een morfologische verklaring die alleen
voor verbums geldt in hoge mate onwaarschijnlijk wordt.
3.3 Lexicale variabelen
Het is waar, zowel het paradigma van
functiewoorden als dat van inhoudswoorden van het HAN komt nagenoeg overeen
met dat van het standaard-Nederlands. Toch zijn er tussen de weinige verschillen
enkele te vinden die inzicht geven in de verschuiving van het dialect naar
de standaardtaal. Daar moet wel eerst naar gezocht worden.
Het genoemde `adieje' is een voorbeeld
ervan dat de verschuiving op lexicaal niveau niet volledig is, en zo zijn
er nog enkele. Het woord `asbest' in de zin `Die had asbest' (kanker gekregen
door het inademen van asbestdeeltjes), zoals een van de door mij geïnterviewden
hem uitsprak, is wellicht ook op lexicaal niveau niet-standaard te noemen.
Ik denk echter dat het verschil met de standaardtaal zich hier eerder op
syntactisch niveau afspeelt. Enkele andere voorbeelden van lexicale interferenties
van het Heerlens dialect in het HAN zijn:
(3) a. Voor twintig jaar terug was dat van mij ook goed (twintig jaar geleden)
b. En dan zeg ik nu wat over het HAN (iets)
c. (...) en ze komen hierheen om het goed te hebben (hier naartoe)
d. De man die wat me dat toen zei (...) (die) (eigen status)
d. (...) en dan vang je wel eens wat stomme kal op (domme praat)
e. Die vertelt mij ook in het Nederlands (die praat met mij in het Nederlands)
f. Dat komt alleen als ik ze heel
erg om heb (als ik veel gedronken heb)
Van deze realisaties komen alleen
(3a), (3b) en (3c) regelmatig voor, in het geval van (3a) in verschillende
variaties, waarbij `terug' en `voor' los van elkaar kunnen voorkomen, als
in
(4) a. (...) als ik dan een artikel in het Limburgs Dagblad lees, voor twee weken geleden
b. Een week of twee terug,
toen waren we even uit (...)
Of het `voor' in de voorbeelden (3a)
en (4a) een lexicaal dan wel een syntactisch verschil met het standaard-Nederlands
representeert, valt nog te bezien. In ieder geval is het geen partikel:
de woorden `voorterug' en `voorgeleden' komen in het standaard-Nederlands,
in het Heerlens dialect noch in het HAN voor. Het lijkt erop, dat zowel
3a als 4a contaminaties zijn van de tijdsaanduidingen
(5) a. veur twjè weake (voor twee weken) (Heerlens dialect)
en
b. twee weken geleden (standaard-Nederlands)
die hetzelfde betekenen. Hier heeft
de verschuiving van het oorspronkelijke dialect naar de standaardtaal dus
enerzijds niet en anderzijds wel plaatsgevonden; een unieke situatie. Merk
hierbij op, dat de woordgroep `twjè weake terùk' (twee weken
terug) in het Heerlens dialect equivalent is van (5a). De verschuiving
van `terug' naar `geleden' is dus niet volledig, en in beide realisaties
(dus: met terug en met geleden) kan de constructie (5a) interfereren.
Een andere lexicale eigenaardigheid
van het HAN, het gebruik van `voor' als complementeerder voor een infinitiefconstructie
(door Cornips als syntactische variatie behandeld), komt in mijn data op
band maar enkele keren voor. Wel hoor ik deze constructie regelmatig in
de stad. Het gaat om realisaties als
(6) a. Weet je trouwens wie geweldig zijn voor eens te beluisteren?
b. Dan kan ik de heren journalisten
uitnodigen voor een leuke recensie te maken.
Wordt in een beknopte bijzin de infinitief
weggelaten, dan wordt in het Heerlens dialect ook voor `voor' als complementeerder
gekozen. Op mijn opnames is deze constructie echter maar één
keer te horen, en wel in de zin
(7) En normaal is er Ingrid voor
achter de tap (te staan)
Het is opvallend, dat de constructie
`voor als complementeerder' in mijn data nooit wordt gerealiseerd door
hoger opgeleiden (VWO, HBO en WO) en dat zij tijdens de opnames duidelijk
onderhevig was aan de observers paradox. Waar hij op straat zeer
vaak te horen is, vervalt hij grotendeels als mensen zich bewust zijn van
hun taalgebruik. Dit kan erop duiden, dat de meeste Heerlenaren zich ervan
bewust zijn dat in het standaard-Nederlands voor een infinitiefzin altijd
de complementeerder `om' wordt gebruikt. Is dit het geval, dan zal deze
constructie vroeg of laat uit het HAN verdwijnen, immers: een HAN-spreker
spreekt HAN als hij Nederlands spreekt, op een enkele taalfreak
na zijn mij geen tweetaligen HAN/standaard-Nederlands bekend. Overleven
van een constructie is in dit geval alleen dan waarschijnlijk, wanneer
zij een (semantisch) doel dient. Hoewel Cornips (1994) in haar studie aangeeft
dat er meer gebruik wordt gemaakt van `voor' als de infinitiefzin de functie
doelbepaling heeft en minder als zij geen doel bepaald, is in alle mogelijke
constructies `voor' mogelijk en wordt `voor+infinitief' ook in hoge frequentie
gerealiseerd wanneer de infinitiefzin geen doel bepaald, wat een eventueel
semantisch onderscheid tussen `voor' en `om' onduidelijk maakt.
3.4 Syntactische en semantische
variabelen
De dagelijkse taalpraktijk in Heerlen
toont aan, dat de syntactische verschuiving van Heerlens dialect naar standaard-Nederlands
in het HAN verre van volledig is (geweest). Met name het veelvuldig gebruik
van reflexieve pronomen valt onmiddellijk op tijdens een middagje winkelen
in Heerlen. Met deze en andere constructies, die ik in deze paragraaf behandel,
worden de meeste clichés van het HAN gemaakt. Het is wellicht daarom,
dat ik met betrekking tot de syntactische variaties erg veel last had van
de observers paradox op het moment dat mijn bandrecorder liep. De
meeste typische HAN-constructies zijn uittentreuren in grappen vervat.
Dit betekent niet, dat HAN-sprekers ze niet hanteren als er geen cassetterecorder
loopt (dus als ze zich tijdens het spreken minder bewust zijn van hun taalgebruik).
Integendeel: de meeste van de constructies die ik behandel worden in het
dagelijkse taalverkeer in zeer hoge frequentie gebruikt, en zij maken voor
een groot gedeelte dat het HAN zich onderscheidt van het Nederlands dat
door niet-Heerlense Limburgers gesproken wordt. In klanktechnisch opzicht
is het HAN nagenoeg gelijk aan het Nederlands van `de Limburger' en ook
het lexicon van beide taalvariëteiten is nagenoeg identiek. Het is
met name aan zijn syntaxis dat een HAN-spreker ook binnen de grenzen van
Limburg wordt herkend. Ongewenst overigens, volgens opgaaf van de door
mij geïnterviewden. Een HAN-spreker met inzicht in taal zal de constructies
die alleen of nagenoeg alleen in zijn taal gangbaar zijn als eerste weren,
en dat zijn onder andere de constructies die ik in deze paragraaf behandel.
Zo is het in het HAN mogelijk, om
achter een passieve constructie met `zijn' het voltooid deelwoord `geworden'
te plaatsen. Dit is in het standaard-Nederlands, en (in mindere mate) in
het Nederlands van `overige Limburgers', hoogst ongebruikelijk. In mijn
data komt de
passieve geworden-constructie onder andere voor als
(8) a. Ja, dat is pas geopend geworden
b. (...) en toen is ie daar in elkaar
geslagen geworden
Deze constructie lijkt alleen te kunnen
voorkomen, wanneer de handeling zich buiten de wil van de spreker om voltrekt,
wat overigens meestal het geval is met passieve constructies. Dit sluit
de volgende zinnen in het HAN uit:
(9) a. *Ik ben daar geweest geworden
b. *Zij zijn geslaagd geworden
Het is echter niet zo dat in het HAN
bij een passieve constructie zònder geworden de spreker per se als
impliciete handelende persoon kan worden geïnterpreteerd. Wanneer
de spreekster van bijvoorbeeld (8b) agens in de beschreven situatie was,
ligt het meer voor de hand dat zij zichzelf als subject in de zin had geïntroduceerd.
Hetzelfde geldt voor (8a); hier kan de nadruk bijna niet op een persoon
liggen, het gaat om de gebeurtenis van het openen. Om deze reden denk ik,
dat in dit opzicht geen betekenisonderscheid bestaat tussen passieve constructies
met en zonder geworden, een vermoeden dat door de geïnterviewden wordt
bevestigd. Het lijkt er wel op, dat in een constructie mèt geworden
de nadruk op de handeling die het predikaat uitdrukt wordt gelegd (Cornips
1994). Mijn informanten hebben net als ik het idee dat dit zo is, de voorbeeldzinnen
(10) a. De auto is gedeukt geworden
b. Hij is daar omgekomen geworden
waarbij de nadruk ligt op het resultaat
van de handeling, werden door hen als vreemd of als onaanvaardbaar beschouwd.
Het voert in mijn ogen echter te ver, om dit onderscheid semantisch te
duiden, omdat de voorbeeldzinnen in (8) ook zonder geworden uitsluiten
dat de nadruk ligt op iets anders dan de handeling in het predikaat; onze
kennis van de wereld sluit een dergelijke interpretatie uit. De passieve
geworden-constructie is hiermee een van de weinige syntactische afwijkingen
van het standaard-Nederlands die mogelijk geen semantische implicaties
heeft.
Een niet-HAN-spreker die regelmatig
in Heerlen is, zal niet snel zien wat er fout is aan de titel van dit werkstuk.
Hij zal alleen opgemerkt hebben dat het gebruik van het hulpwerkwoord `doen'
in het HAN afwijkt van dat in het standaard-Nederlands, en dat de wijze
waarop het woord in de titel voorkomt overeen lijkt te stemmen met het
gebruik in het HAN. Luistert hij echter niet alleen naar de clichés
van het HAN, waarin bijna altijd een doen-constructie voorkomt (toen
ik de geïnterviewde HAN-sprekers vroeg naar de status van hun taal,
noemde maar liefst vier van hen een voorbeeld met doen als al te
duidelijk HAN), maar ook naar het gebruik in het dagelijkse leven, dan
kan hem opvallen dat aan het gebruik van doen voor een infinitief nogal
wat restricties verbonden zijn.
In het standaard-Nederlands kan het
hulpwerkwoord `doen' in combinatie met een infinitief voorkomen, wanneer
`doen' een causatieve (11) of een omschrijvende (12) functie heeft.
(11) a. Dat doet me verlangen naar het voorjaar
b. Ik zal hem doen werken voor zijn
geld
(12) a. Spelen doet hij zelden
b. Hij doet me aan mijn vader denken
Waar dat mogelijk is, wint `laten'
het overigens steeds vaker van `doen' als causatief hulpwerkwoord. Heeft
`doen' een omschrijvende functie, dan wordt het meestal gebruikt om de
infinitief voorop te kunnen plaatsen als in (12a). Het gebruik als in (12b)
blijft veelal beperkt tot vaststaande zegswijzen
De ANS spreekt ook van doen
bij niet-vooropgeplaatste infinitieven in spreektaal (volgens Duinhoven
[1994] specifiek voor kindertaal), als in
(13) Ze doen daar veel werken
Deze constructie komt in het HAN regelmatig voor. Hierbij zij aangetekend, dat zij op mijn bandopnamen relatief weinig voorkomt, wat kan duiden op een sterke invloed van de omstandigheden op de taal van de geïnterviewden, zoals vaak het geval is bij eigenschappen van het HAN die het hebben geschopt tot cliché.
Cornips (1994) wijst erop dat de doen-constructie
in het HAN bij voorkeur optreedt in combinatie met een agentief subject,
als in
(14) a. Daar deed hij in een spuitcabine werken
b. Trouwens Mark hè, die doet
ook al echt Heerlens spreken
Heeft het subject geen invloed op
de beschreven handeling, dan is doen+infinitief in het HAN uitgesloten:
(15) a. *Hij doet bezoek hebben
b. *Hij doet sterven
waarin het subject de handeling ondergaat,
worden door alle geïnterviewden als onaanvaardbaar in het HAN betiteld.
`Doen' in de doen-constructie
drukt doorgaans een habitueel aspect uit. In het HAN moet het hulpwerkwoord
`doen', als het geen causaal verband aangeeft of omschrijft, congruentie
en aspect in zich dragen. Zinnen waarin `doen' een van deze twee niet heeft,
worden door mijn informanten unaniem als onaanvaardbaar bestempeld.
(16) a. *Hij heeft (auto's) spuiten gedaan
b. *Hij deed gisteren in een spuitcabine
werken
Het omschrijvende en het causatieve
doen daarentegen hoeven niet congruentie en aspect te dragen: in (11b)
heeft het causatieve `doen' geen congruentie en in (12a) drukt `zelden'
het aspect uit. Ook het causatieve `doen' dat geen aspect draagt en het
omschrijvende `doen' zonder congruentie zijn in het standaard-Nederlands
en in het HAN mogelijk, als is achtereenvolgens (17a) en (17b)
(17) a. Ik zal hem vanaf nu doen werken voor zijn geld
b. Spelen heeft hij zelden gedaan
Het aspectuele `doen', zoals dat in
het HAN optreedt, drukt uit dat een activiteit niet eenmalig is, maar door
het subject met zekere regelmaat uitgevoerd wordt. Een gang langs HAN-sprekers
leverde op, dat er een betekenisverschil bestaat tussen (18a) en (18b)
(18) a. Hij verft deuren
b. Hij doet deuren verven
In (18a) wordt uitgedrukt dat de spreker
eenmalig deze activiteit ontplooit, bijvoorbeeld voor een verhuizing, terwijl
het subject in (18b) zeer regelmatig deuren verft en waarschijnlijk huisschilder
van beroep is. In de zin van een van de geïnterviewden
(19) Onder militaire dienst deden
ze daar altijd grappen mee maken
draagt `altijd' in zekere zin aspect, maar dit is hetzelfde, habituele aspect als `doen' uitdrukt en kan dus als markeerder gezien worden.
Toen ik aan enkele HAN-sprekers de
zin
(20) Hij doet een deur verven
voorlegde, werd die door zes van de
acht merkwaardig gevonden. Het is immers niet waarschijnlijk, dat iemand
zich met vaste en frequente regelmaat onledig houdt met het verven van
één deur. Ik denk, dat een niet-HAN-spreker het verschil
in toelaatbaarheid tussen (18b) en (20) niet snel zal zien. Clichés
van het type (20) zijn mij tenminste vaak ter ore gekomen, maar goed, op
school zal niemand iets geleerd hebben over het (in spreektaal wel degelijk
- maar weinig frequent - voorkomende) gebruik van `doen' als hulpwerkwoord
van aspect. De ANS besteedt er weliswaar minimale aandacht aan, maar de
grammatica's die leraren Nederlands tijdens hun opleiding hanteerden (Paardekooper,
Rijpma & Schuringa en Van den Toorn) maken aan het verschijnsel geen
woord vuil.
Opvallende bijna-afwezigen op de bandopnamen die ik heb gemaakt, zijn de vele mogelijke constructies met reflexieve pronomen, die in het dagelijkse HAN zeer regelmatig voorkomen. Wie een tijdje in Heerlen zijn oren te luisteren legt, kan al snel tot de conclusie komen dat in het HAN veel meer verbums transitief of accusatief zijn dan in het standaard-Nederlands. In veel meer taaluitingen dan in het standaard-Nederlands komt het subject van een zin als object terug of krijgt het werkwoord een tweede thema. En inderdaad, het corpus transitieve en accusatieve verbums is in het HAN vele malen groter dan in de standaardtaal, maar er is meer aan de hand. Om de eigenaardigheden met reflexieve pronomen in het HAN duidelijk (maar beknopt) uit te leggen, is het noodzakelijk om eerst een aantal theoretische begrippen nader te duiden.
Het is aannemelijk (Cornips 1994 en
Haegeman 1991), dat in de lexicale representatie van verbums behalve betekenis
en vorm ook syntactische en semantische informatie opgeslagen is, zoals
het al dan niet transitief zijn. De lexicale representatie van een verbum
kan dan worden opgesplitst in een Lexicale Conceptuele Structuur (LCS),
het niveau waarop het predikaat dat met het verbum wordt gevormd semantisch
gerepresenteerd is en de Predikaat Argumentstructuur (PAS), waarin de verbindingsregels
worden geprojecteerd die argumenten met het predikaat hebben. Zo is vastgelegd
dat werken in (21a) slechts een argument (een subject) kan dragen
en dat slaan in (21b) twee argumenten, een subject en een object
bij zich krijgt.
(21) a. Jan werkt (*de hond)
b. Jan slaat de hond
De semantische relatie tussen verbum
en argumenten wordt uitgelegd in thematische rollen, zoals agens
(degene die opzettelijk de handeling verricht, in (21a) en (21b) Jan) en
thema
(degene die de handeling ondergaat, in (21b) de hond). Volgens het principe
theta-criterium
is het uitgesloten dat in een zin meer dan eenmaal hetzelfde thema voorkomt
of dat een argument geen thematische rol heeft.
Volgens de casus-theorie krijgt ieder
argument bij een predikaat een naamval toegekend. Hierbij worden twee soorten
naamvallen onderscheiden: inherente (nominatieve) naamval en structurele
(accusatieve) naamval. Nominatieve naamval wordt aan een argument (dat
onderliggend altijd de vorm van een nominatieve groep [NP] heeft) toegekend
op basis van de thematische rol die het draagt, accusatieve naamval alleen
onder specifieke structurele omstandigheden. Er zijn echter verbums die
geen accusatief-naamval aan hun interne argument kunnen uitdelen, zogenaamde
onaccusatieve
verbums. Vergelijk hierbij de zinnen met intransitieve predikaten
(22) a. Jan werkt
b. Jan sterft
In (22a) heeft Jan de thematische
rol agens, in (22b) die van thema, dat wil zeggen degene
die de handeling die in het predikaat wordt uitgedrukt ondergaat. Hierdoor
krijgen de twee Jans (of is het: Jannen) een andere positie in de dieptestructuur,
namelijk achtereenvolgens extern en intern:
(23) a. [ip leeg [vp Jan [v' werkt]]]
b. [ip leeg [i'
[vp [v' Jan sterft]]]]
Ondanks hun fonetische overeenkomst
is er dus onderscheid te maken tussen een groep verbums die intransitief
is en uitsluitend een extern argument heeft en een groep die
onaccusatief
is en die uitsluitend een intern argument heeft. Om deze reden spreek ik
in het vervolg van een DO (direct object)-subject in zinnen met een onaccusatief
predikaat: de plaats van het subject in de dieptestructuur is namelijk
die van het directe object. Deze is die
binnen de (eerste) verbale
groep (V'); het is dus aan te nemen dat de plaats van het subject in de
dieptestructuur van zinnen met een onaccusatief predikaat als (22b), niet
gevuld is. Tenminste, de eerste NP is leeg (zie 24)
(24)
Deze twee onderscheiden predikaten
gedragen zich, ondanks dat ze dezelfde fonetische representatie hebben,
in syntactisch opzicht verschillend: zo heeft het overgrote deel van de
onaccusatieve predikaten zijn als hulpwerkwoord en de intransitieve
actieve predikaten hebben altijd hebben als hulpwerkwoord en kan
het voltooid deelwoord van onaccusatieve verbums attributief gebruikt worden
en dat van intransitieve verbums nooit. Op het punt van reflexieve pronomen
en hun plaats in de dieptestructuur wijkt het HAN niet alleen op het punt
van (in het standaard-Nederlands) (in)transitieve predikaten, maar ook
op dat van (on)accusatieve predikaten af.
In het HAN kunnen, net als in het Heerlens dialect, meer zinnen gecreëerd worden met twee objecten dan in het standaard-Nederlands. In het bestek van dit werkstuk zal ik niet alle mogelijke constructies in het HAN behandelen. Ik beperk me tot die constructies, welke regelmatig voorkomen en in het standaard-Nederlands minder gebruikelijk of uitgesloten zijn. Hierdoor krijgt bijvoorbeeld de regelmatig voorkomende ethische datief-constructie (`Daar hing me toch iemand over het hek'), die in het standaard-Nederlands dezelfde eigenschappen heeft als in het HAN, geen aandacht.
Een veel gehoorde constructie is die,
waarin het indirecte object de datief-naamval heeft en als bezitter van
het directe object (vaak een onvervreemdbaar lichaamsdeel) fungeert: de
possessieve
datief-constructie, als in
(25) a. De mos dich de naas potse (dialect)
b. Je moet je de neus snuiten (HAN)
In het standaard-Nederlands neemt
in een dergelijk geval een possessief pronomen de functie van de datief
over (`Je moet je (jouw) neus snuiten), in het HAN bestaat een keuzemogelijkheid
tussen de datief en het possessieve pronomen. Een combinatie van beiden,
als in
(26) *Je moet je je neus snuiten
worden door alle reflectanten als
niet-HAN bestempeld. Het is echter minder duidelijk, of een possessieve
datief met een niet-lichaamsdeel als direct object ook onmogelijk is in
combinatie met een possessief pronomen. Toen ik de genoteerde zin
(27) (...) toen hebben ze me de fiets
geklauwd
sierde met datief en possessief pronomen
([..] toen hebben ze me m'n fiets geklauwd) werd er meer getwijfeld voordat
de zin door vijf van de acht reflectanten ongrammaticaal werd genoemd.
Het lijkt erop, dat een combinatie van beide bezitsaanduidingen niet mogelijk
is in het HAN, net als de combinatie possessieve datief/intransitief, actief
verbum, tenzij dit laatste transitief wordt gebruikt in een uitdrukking
die niet letterlijk opgevat kan worden (28).
(28) (...) en toen rende ik me de
longen uit het lijf
Bij deze constructie maakt de datief
op betekenisniveau echter altijd deel uit van een bijwoordelijke bepaling,
die een directe semantische relatie met het predikaat onwaarschijnlijk
maakt. Merk overigens op, dat de volgorde van het directe en het indirecte
object in een possessieve datief-constructie altijd vast ligt, wat
de zinnen in (29) uitsluit.
(29) a. *Je moet de neus je snuiten
b. *(...) toen hebben ze de fiets
me geklauwd
Ik ben zelf geen possessieve datief-constructies
tegengekomen die vergezeld werden door een onaccusatief verbum, maar toen
ik de zinnen in (30) voorlegde aan enkele reflectanten, werden die unaniem
als correct HAN bestempeld.
(30) a. Toen vlogen me daar de krukken om de oren
b. Toen vielen me de handen bijna
af
In deze zinnen kan `me' onmogelijk als ethische datief gezien worden, omdat er voor de benoemde lichaamsdelen geen possessieve pronomen staan. In (30b) zijn `de handen' niet anders dan als DO-subject te interpreteren (naar analogie van [22b]), waardoor de possessieve datief in de dieptestructuur de plaats van het indirecte object inneemt. In (30a) neemt in de dieptestructuur `de krukken' de plaats van het directe object in (en is dus DO-subject), terwijl het aannemelijk is dat de voorzetselconstructie `om de oren' syntactisch los staat van `me', dat indirect object is. Hun semantische samenhang is echter evident. Hier laat mijn kennis van de generatieve grammatica me in de steek: waar in de dieptestructuur de onvervreemdbare bezitsrelatie tussen `me' en `de oren' tot uitdrukking komt, kan ik vooralsnog niet achterhalen.
Tot slot kan de possessieve datief-constructie
ook voorkomen in combinatie met een transitief predikaat, een constructie
die ik in mijn data maar een keer heb kunnen vangen. Deze datief kan, net
als alle andere possessieve datieven in het HAN, zowel als verwijzer naar
het directe object (31a) als naar een NP in een voorzetselgroep (31b) voorkomen
(voorbeeld 30b uit Cornips 1994).
(31) a. en toen pakt zich zo'n politie-agent, die pakt zich 't geweer
b. (...) ja had die me dat stuk uit
het scheenbeen gekapt
In beide voorbeelden kan de HAN-variant
in een standaard-Nederlandse variant omgezet worden door de datief te vervangen
door een pronomen.
Een HAN-constructie die vaak wordt
verward met de possessieve datief-constructie is de
benefactief-constructie
als in (32). Deze constructie komt overigens niet alleen in het HAN voor;
zij is in geheel oostelijk Nederland te horen(5).
(32) a. Die heeft me de kast daar gemaakt
b. (...) dat ze zich de meest ingewikkelde
apparatuur in huis halen
In een benefactief-constructie is het indirecte object altijd optioneel en niet noodzakelijk `bezitter' van het directe object. Wanneer er sprake is van een transitieve dubbel-objectconstructie bepaald ook het artikel of er sprake is van een possessieve datief- dan wel van een benefactief-constructie. In een benefactief-constructie kan het artikel een voorkomen terwijl het naamwoord dat erachter staat niet noodzakelijk deel uitmaakt van een groter geheel, als in (33); dit is in een possessieve datief-constructie onmogelijk.
(33) a. Die heeft me een kast gemaakt
b. (...) dat ze zich een ingewikkeld
apparaat in huis halen
Vertaling naar standaard-Nederlands
van een benefactief-constructie is altijd mogelijk door het indirecte
object in een voorzetselgroep met voor te plaatsen, als in
(34) a. Die heeft voor mij een (de) kast gemaakt
b. (...) dat ze voor zichzelf de meest
ingewikkelde apparatuur in huis halen
Enige uitzondering op deze regel is,
wanneer de activiteit die wordt uitgedrukt in het predikaat ten nadele
van het indirecte object is.
(35) a. Die heeft me de auto gestolen
b. *Die heeft voor mij de auto gestolen
Waarschijnlijk de meest voorkomende
HAN-constructie met twee objecten is die, welke door Cornips (1994) de
intrinsieke
constructie is genoemd. Het gaat hier om constructies, waarin altijd
een reflexief pronomen aanwezig is. In deze constructie is het subject
agentief extern argument dat de handeling die wordt uitgedrukt door het
predikaat initieert. Het reflexieve pronomen drukt uit dat het subject
geheel uit vrije wil, dus zonder dat er van enige invloed van buitenaf
sprake is, de handeling volbrengt.
(36) a. En hij drinkt zich graag een glaasje bier als ie hier is
b. Dan neemt ie zich de fiets en dan
gaat ie weg
Noodzakelijk reflexieve predikaten
met een agentief subject (37), die zowel in het HAN als in het standaard-Nederlands
voorkomen, onderscheiden zich hierin van intrinsieke predikaten.
(37) a. Ik was me
b. Ik draai me om
Het reflexief kan kan in het geval
van een echt reflexief predikaat nooit weggelaten worden zonder dat er
een betekenisverschil ontstaat (38) en bovendien kan bij echte reflexieve
predikaten het hulpwerkwoord `laten' toegevoegd worden, zodat het subject
niet meer agentief is, terwijl dit op grond van de betekenis van het reflexief
bij intrinsieke constructies uitgesloten is (39).
(38) a. Ik was
b. Ik draai om
(39) a. Ik laat me wassen
b. *Hij laat zich de fiets nemen
4. DE ONDERZOEKSVARIABELEN,
DE WAARDERING EN DE DISTRIBUTIE
4.1 De informanten
Waar geen sociolinguïstische
handleiding over rept, is het probleem om voldoende informanten te krijgen
wanneer je op zoek gaat naar een bepaald taalverschijnsel. Het is gemakkelijk
om toezeggingen te krijgen van mensen die `wel willen meewerken', maar
het is me meer dan eens overkomen dat iemand op het laatste moment afbelde,
plotseling met vakantie ging of niet kwam opdagen. Ik kan maar een voor
mezelf bevredigende oorzaak voor dit verschijnsel bedenken: de taalvariëteit
die ik onderzocht heeft een niet al te hoge sociale status, en mensen worden
er niet graag aan herinnerd dat ze sprekers van de variëteit in casu
zijn. Dit bleek ook uit de vragen die ik na ieder gesprekje heb gesteld
(zie bijlage): HAN wordt door de sprekers ervan zeer laag gewaardeerd en
de meeste geïnterviewden zeiden van zichzelf dat ze geen HAN-spreker
zijn. Slechts één informant, een `echte Heerlenaar', ondernemer
en door velen getooid met de bijnaam `Nachtburgemeester van Heerlen' verklaarde
dat het HAN een Heerlens cultuurverschijnsel is als de `Woësjkraom
à de V&D' en dat Heerlenaren er best trots op mogen zijn. Zonder
HAN, aldus de nachtburgemeester, zou Heerlen niet meer Heerlen zijn en
dat is eeuwig zonde. Bedenk hierbij, dat de Nachtburgemeester van Heerlen
zelf dialectspreker is.
Bij het vinden van informanten ben
ik niet op zoek gegaan naar de `ideale HAN-spreker', iemand die het HAN
tot in alle finesses beheerst. Ik heb geprobeerd om met een relatief klein
aantal informanten (het was nu eenmaal geen gemakkelijke opgave om te recruteren)
een doorsnede van de Heerlense taalgebruikers te krijgen. Tussen deze informanten
zijn er ook die niet onmiddellijk als HAN-spreker te herkennen zijn, omdat
zij relatief weinig constructies realiseren die ongebruikelijk in het standaard-Nederlands
zijn. Hierdoor kon ik ook een beetje inzicht krijgen in de distributie
van de opgemerkte HAN-eigenschappen en daarmee in eventuele verschuivingen
die plaatsvinden. Hiertoe heb ik drie indelingscriteria gehanteerd: de
moedertaal van de spreker (Limburgs [Heerlens] dialect en standaardtaal
of HAN), opleiding (laag, midden en hoog) en leeftijd (oud en jong, waarbij
de eerste groep de demografische ontwikkelingen tijdens de mijnbouw in
de Oude Mijnstreek en tijdens de sluiting van de mijnen heeft meegemaakt,
vanuit de hypothese dat zij de vermoedelijke oorzaken van het ontstaan
van het HAN bewust hebben ervaren en de tweede groep alleen een redelijk
stabiel Heerlen kent). Tabel 3 laat de opbouw van de onderzochte groep
zien.
Niet al deze informanten hebben hun
hele leven in Heerlen gewoond. Wel verklaren ze allemaal hun belangrijkste
taalinput in Heerlen gekregen te hebben. Dit is niet verwonderlijk: op
één informant (Lucienne) na zijn zij allen geboren in de
Oude Mijnstreek en waren dus voor een groot deel voor onderwijs en verzorging
op Heerlen aangewezen, en iedereen heeft lange tijd in Heerlen doorgebracht.
Ben heeft de eerste 17 jaar van zijn leven in Brunssum en daarna in Heerlen
gewoond. Ongeveer even oud verhuisde buurman van Schaesberg naar Heerlen.
Lex N. woonde 12 jaar in Hoensbroek en daarna (behoudens enkele jaren zeevaart)
in Heerlen, Peter woonde zijn hele leven in Heerlen net als Hans, Marianne,
Lydia en mevr. Somers, Marion is er drie jaartjes tussenuit geweest (naar
Maastricht en naar Parijs), Lex V. verhuisde als 23-jarige van Voerendaal
naar Heerlen en Lucienne verhuisde na zestien jaar van Geleen naar Heerlen.
Alleen Carin heeft veel verhuizingen achter de rug: zij woonde tot haar
negentiende in Schaesberg, vertrok voor een jaar naar Den Bosch, kwam terug
naar Heerlen, was drie jaar inwoonster van Rotterdam, woonde even in Kerkrade
en is nu weer in Heerlen.
Tabel 3. Indeling van de informanten
naar moedertaal, opleiding en leeftijd.
| Moedertaal | Opleiding(6) | Leeftijd(7) | |||||
| Dialect | Stand.(8) | Laag | Midden | Hoog | Jong | Oud | |
| Ben |
|
|
|
|
|
|
|
| Lex N. |
|
|
|
|
|
|
|
| Peter |
|
|
|
|
|
|
|
| Lex V. |
|
|
|
|
|
|
|
| Marianne |
|
|
|
|
|
|
|
| Hans |
|
|
|
|
|
|
|
| Lucienne |
|
|
|
|
|
|
|
| Carin |
|
|
|
|
|
|
|
| Lydia |
|
|
|
|
|
|
|
| Marion |
|
|
|
|
|
|
|
| Buurman |
|
|
|
|
|
|
|
| Mevr. Somers |
|
|
|
|
|
|
|
| TOTAAL |
|
|
|
|
|
|
|
4.2 De waardering van het (eigen)
HAN
Het is al eerder gezegd: het HAN heeft
als taal een bijna uitzonderlijk lage status. Niet alleen niet-Heerlenaren
fronsen hun wenkbrauwen wanneer aan iemand te horen is dat hij/zij uit
Heerlen komt, ook zij die uit Heerlen komen en in meer of mindere mate
HAN spreken is deze taal een gruwel. HAN wordt gesproken in plaats van
Nederlands; het is een plaatselijke (zelfs regionale) variant van de standaardtaal.
Vandaar dat mensen HAN niet als aparte taal zien, maar als gemankeerd Nederlands.
Iemand die HAN spreekt, spreekt deze taal niet bewust: hij spreekt Nederlands,
zoals hij het geleerd heeft. Hierin onderscheidt HAN zich van het dialect:
een dialectspreker heeft een keuzemogelijkheid tussen dialect en standaardtaal,
waardoor hij zijn dialect, duidelijker dan een HAN-spreker zijn taal, als
te onderscheiden entiteit ziet. Overigens spreken de meeste Heerlense dialectsprekers
HAN in plaats van standaard-Nederlands als zij op Nederlands overschakelen.
Dit is begrijpelijk, want voor de meeste dialectsprekers is HAN de variëteit
van het Nederlands die ze geleerd hebben en waarmee ze dagelijks gevoed
worden.
Mensen zijn ijdel. Geen God of Bijbel
die daar iets aan verandert. Heeft een eigenschap een lage status, dan
ben ìk niet degene die deze eigenschap in zich draagt, zo lijken
velen (onbewust) te denken. De meeste geïnterviewde HAN-sprekers (ook
al zijn er enkele tussen, die niet gemakkelijk als zodanig te herkennen
zijn en van wie het dus discutabel is of zij HAN of Nederlands met HAN-invloeden
spreken) zeggen van zichzelf dat zij wèl correct Nederlands spreken.
Hooguit is in hun klanken te herkennen dat zij uit Limburg komen. Maar
echte HAN-sprekers, die zijn te vinden onder het plebs (al wordt dit niet
zo onomwonden gezegd). Zelfs Lex N., die over HAN zegt: `Het is een leuke
taal, die deel uitmaakt van de cultuur. Het zou zonde zijn als deze taal
verdwijnt' vindt, dat HAN-sprekers te vinden zijn onder `arbeiders en mensen
die geen contacten buiten de gemeentegrenzen hebben'. Overigens vindt ook
Peter (`HAN-sprekers zijn te vinden onder mensen met een lage opleiding,
in volksbuurten en onder hen, die niet werken') dat HAN, hoewel `lelijk',
z'n positieve kanten heeft. Want `HAN klinkt me vertrouwd in de oren (let
op de possessieve datief-constructie, LB). Als ik iemand HAN hoor
spreken, voel ik me thuis'. Peter is overigens een van de weinigen, die
toegeeft zelf HAN-spreker te zijn. Slechts één andere informant,
Lydia, noemde zichzelf onomwonden HAN-spreker. Alle anderen gaven wel toe
dat aan hen is te horen dat ze uit Limburg komen, en enkelen is het ook
overkomen dat zij buiten Limburg niet werden verstaan (3 maal), maar `Heerlense
grammaticale fouten' (Ben) worden door geen van hen opvallend gerealiseerd.
Wellicht dat er ook een verklaring voor deze ontkenningen te vinden is
in westelijke kwelgeesten. Bijna iedereen is wel eens gepest met zijn taal.
Vooral mannen die in militaire dienst hebben gezeten, hebben daar een behoorlijke
taak gehad aan het zich verweren tegen lolbroeken: alle mannen die onder
rood-wit-blauw hebben gediend, noemen als eerste het leger als vrijplaats
voor plagerijen en vernederende imitaties.
Nee, je kunt maar beter geen HAN-spreker zijn. Zelfs in Heerlen krijg je dan al snel een stigma, want waar vindt je nu die typische HAN-spreker? Juist, onder de laag opgeleide, slecht behuisde, niet al te intelligente en niet werkende Heerlenaren. Ik vermoed, dat er maar weinig mensen zijn die zich hiermee willen identificeren. Vooral niet als mensen het `vreselijk vinden om naar je te luisteren, want HAN komt echt dommig over' (Ben, die hiermee duidelijk uitspreekt wat anderen omfloerst doen). Door de twaalf geïnterviewden worden HAN-sprekers getypeerd als:
Laag opgeleid: 6 maal
Arbeiders: 4 maal
Weinig contact buiten Heerlen: 2
maal
Werkeloos: 1 maal
Wonen in volksbuurten: 2 maal
Ouders spreken HAN/thuis geen aandacht
voor correct taalgebruik: 3 maal
Geen idee: 1 maal
Het spreekt voor zich, dat het vooral
`de ander' is die deze taal spreekt.
4.3 De distributie van HAN-kenmerken
4.3.1 De distributie van suprasegmentele,
fonetische en fonologische kenmerken
Van de vijf onderzochte suprasegmentele,
fonetische en fonologische kenmerken zijn er drie, die door iedere geïnterviewde
altijd waar mogelijk gerealiseerd werden, namelijk het gebruik van sleep-
en stoottoon, de monoftongering van gespannen vokalen en de regressieve
assimilatie [+stem]. Ook de woordfinale t-deletie was bij iedere geïnterviewde
waar te nemen, echter niet in gelijke mate. Ben, Lex N., Lucienne en Marion
spraken de meeste t's aan het woordeinde uit, terwijl buurman en mevr.
Somers verreweg de meeste t's weglieten. In de volgende staat is te zien,
bij welke groepen de woordfinale t-deletie het meest duidelijk aanwezig
is. Ik ben uitgegaan van de eerste vijftien minuten van de gesprekken en
heb de woordeinde-t's die voor een dentale consonant kwamen niet meegeteld.
`Weinig' is minder dan 20% van de mogelijke t's werden weggelaten, gemiddeld
is 20% tot 50% en veel meer dan 50%. Deze indeling is gehanteerd, om de
hoeveelheid data te beperken en zodoende het overzicht van de lezer veilig
te stellen. Hij kan in een oogopslag zien hoe de gegevens over de verschillende
groepen verdeeld zijn. Ik ben ervan overtuigd, dat met deze indeling weinig
relevante informatie verloren gaat. Bij de verhoging van de [s], die sterk
gevoelig was voor
observers paradox, heb ik een indeling gemaakt
tussen mensen bij wie zij waar te nemen was en zij, bij wie ze niet waar
te nemen was. Wie de [s] op de band verhoogt, doet dit namelijk altijd.
Wat opvalt, is dat volgens tabel 5 de verhoging van de [s] het vaakst voorkomt
onder ouderen. Mijn ervaring in Heerlen is echter, dat dit fenomeen vaker
onder jongeren dan onder ouderen waar te nemen is.
Tabel 4. De distributie van de
woordfinale t-deletie
| Moedertaal | Opleiding | Leeftijd | |||||
| Dialect | Stand. | Laag | Midden | Hoog | Jong | Oud | |
| Weinig | 1 | 3 | - | 3 | 1 | 2 | 2 |
| Gemiddeld | - | 3 | - | 1 | 2 | 2 | 1 |
| Veel | 3 | 2 | 3 | 1 | 1 | 2 | 3 |
| TOTAAL INDEX(9) | 2,5 | 1,9 | 3 | 1,6 | 2 | 2 | 2,2 |
Tabel 5. De distributie van de
verhoging van de [s]
| Moedertaal | Opleiding | Leeftijd | |||||
| Dialect | Stand. | Laag | Midden | Hoog | Jong | Oud | |
| Niet | 2 | 5 | - | 5 | 2 | 5 | 2 |
| Wel | 2 | 3 | 3 | - | 2 | 1 | 4 |
| TOTAAL INDEX | 1,5 | 1,4 | 2 | 1 | 1,5 | 1,2 | 1,7 |
4.3.2 De distributie van lexicale,
syntactische en semantische kenmerken
Bij de distributie van lexicale, syntactische en semantische variabelen in het HAN is het niet goed mogelijk om een deugdelijke indexering of vergelijking aan te brengen, omdat er in deze gevallen (mogelijk) een betekenisverschil bestaat tussen de standaard-Nederlandse en de HAN-variant. Enige uitzondering hierop is de variatie tussen `voor', `terug' en `geleden' bij tijdsaanduidingen (zie paragraaf 3.3). De verschillende HAN-varianten bij tijdsaanduidingen werden altijd gebruikt door Ben en door Hans, terwijl Marion, Lucienne en Peter iedere keer kozen voor de standaard-Nederlandse variant. Mevr. Somers, buurman, Lex V. en Marianne gebruikten geen constructie waarin de HAN-variant mogelijk is. De verdeling bij de overige geïnterviewden was als volgt: Lex N. 4 mogelijkheden, eenmaal een HAN-variant, Lydia 2 mogelijkheden waarbij 1 HAN-variant, Carin verwees slechts een maal naar het verleden, en gebruikte toen een HAN-variant. Als je kijkt naar de verdeling binnen de onderscheiden groepen, levert dit de volgende resultaten op:
Tabel 6: de HAN-varianten in tijdsaanduidingen
voltooid verleden tijd in procenten ten opzichte van standaard-Nederlandse
varianten
| Moedertaal | Opleiding | Leeftijd | |||||
| Dialect | Stand. | Laag | Midden | Hoog | Jong | Oud | |
| HAN-realisaties in procenten | 25%
(1 pers) |
52%
(7 pers) |
100%
(1 pers) |
64%
(5 pers) |
14%
(3 pers) |
54%
(5 pers) |
38%
(3 pers) |
Natuurlijk is deze tabel geen nauwkeurige
graadmeter voor de het gebruik van de variaties in Heerlen: daarvoor is
het aantal informanten te klein. Toch denk ik, dat de teneur van mijn bevindingen
(tenzij er maar een persoon in een cel vernoemd wordt die een constructie
maakte waarin een HAN-variant mogelijk was) niet ver van de werkelijkheid
zal liggen. Maar de teneur, dat de HAN-variant minder vaak wordt gebruikt
naar mate het opleidingsniveau stijgt en de leeftijd van de spreker lager
is, komt overeen met mijn bevindingen in het dagelijkse taalverkeer in
Heerlen.
Met betrekking tot de andere variaties
op lexicaal, semantisch en syntactisch vlak kan ik alleen de absolute cijfers
van het aantal realisaties geven omdat zij (mogelijk) semantische implicaties
hebben en dus niet te vergelijken zijn met een AN-variant.
Tabel 7. Aantal realisaties van
overige, behandelde HAN-constructies
| Moedertaal | Opleiding | Leeftijd | |||||
| Dialect | Stand. | Laag | Midden | Hoog | Jong | Oud | |
| voor als complementeerder | 5 | 3 | 4 | 4 | - | 3 | 5 |
| passieve geworden-constructie | 2 | 5 | 3 | 1 | 3 | 2 | 5 |
| doen-constructie | 2 | 5 | 2 | 1 | 4 | 4 | 3 |
| possessieve datief | 4 | 1 | 1 | 1 | 3 | 3 | 2 |
| benefactief | 3 | 1 | 3 | - | 1 | 2 | 2 |
| intrinsiek | 4 | 5 | 4 | 3 | 4 | 3 | 8 |
| TOTAAL | 20 | 22 | 17 | 10 | 15 | 17 | 25 |
| GEMIDDELD PER SPREKER | 5 | 2,75 | 5,66 | 2 | 3,75 | 2,83 | 4,16 |
4.4 Korte nabeschouwing naar aanleiding
van de cijfers
Het is niet gemakkelijk om de gevonden
cijfers in juist perspectief te zien. In de eerste plaats is het aantal
geïnterviewden niet al te groot, in de tweede plaats zijn net de variabelen
die ook door mede-Limburgers als `typisch HAN' worden gezien niet relatief
te beschouwen, omdat er dan appels met peren vergeleken worden. Wellicht
dat de distributie tussen `om' en `voor' als complementeerder voor infinitiefzinnen
redelijk arbitrair is, feit is dat `voor' met name voorkeur heeft wanneer
de infinitiefconstructie die erop volgt doel bepaald, wat kan duiden op
een betekenisverschil. Ik heb bewijzen voor noch tegen dit onderscheid
gevonden, en dan lijkt het me verstandig om ervan uit te gaan dat een taalvariëteit
niet voor niets productief is. Bovendien zullen ook onderwerp van gesprek
(ik heb geprobeerd om met iedereen over persoonlijke onderwerpen te praten,
maar de een laat zich nu eenmaal met meer gemak door een gesprek meevoeren
dan de ander), taalgebruik van de interviewer, een snorrende cassetterecorder,
uur van de dag, relatie met de interviewer en zo verder en zo verder hun
sporen nalaten in het al dan niet frequent gebruiken van taalvariaties
die niet op school zijn geleerd. Bovendien vallen nogal wat HAN-constructies
buiten schot, om de doodeenvoudige reden dat ik keuzes heb moeten maken
in het te behandelen materiaal. Mij stond nu eenmaal niet alle tijd van
de wereld ter beschikking en mijn correctoren zouden het me niet in dank
hebben afgenomen als ik met veel meer dan het huidige aantal pagina's hun
bureaus had laten kraken en steunen.
Vast staat in ieder geval, dat HAN
niet echt snel een taal met een literaire traditie zal worden. Niet alleen
het geringe aantal sprekers ervan (dat toch, omdat HAN tot kilometers buiten
de grenzen van Heerlen in verstedelijkt gebied gesproken wordt, de 100.000
ruimschoots zal overschrijden) maar ook de status die haar wordt toegekend
beletten dit. HAN is volgens de helft van de geïnterviewden de taal
van laag opgeleiden, volgens een derde die van arbeiders en volgens een
kwart die van kinderen uit gezinnen waarin niet al te veel aandacht aan
correct Nederlands wordt besteed. Me dunkt, dat die cijfers voor zich spreken,
te meer daar zij komen van hen, die in meer of mindere mate HAN-spreker
zijn.
Op suprasegmenteel, fonetisch en fonologisch
niveau ontkomt niemand van de geïnterviewden aan de invloed van het
HAN. Er wordt wat afgezongen in Heerlen, t's verdwijnen spoorloos en stembanden
maken bij consonanten overuren. Op het gebied van klank en tongval ontlopen
de verschillende groepen elkaar niet zo ver. Dialectsprekers slikken meer
t's in dan standaardtaalsprekers, maar op het gebied van de verhoging van
de [s] is het verschil tussen deze groepen minimaal. Laag opgeleiden scoren
hoog, maar daar staat tegenover dat de groep hoog opgeleiden meer HAN-kenmerken
vertoont dan de groep gemiddeld opgeleiden. Tussen jong en oud bestaat
alleen een noemenswaardig verschil in de verhoging van de [s]. Hier is
overigens iets merkwaardigs aan de hand. Zonder bandrecorder teken ik dit
verschijnsel met grotere regelmaat op bij jongere sprekers, en dan met
name in de leeftijdsgroep van pakweg 10 tot 20 jaar. Als de cijfers die
mijn onderzoekje opleveren inderdaad bedriegen, wat ik wel vermoed, heeft
dit verschijnsel grote kans op overleven.
Niet alleen op suprasegmenteel, fonetisch
en fonologisch niveau scoort de spreker die dialect als moedertaal heeft
beduidend hoger in het realiseren van HAN-kenmerken, ook op andere taalniveaus
doet hij het goed. Alleen de passieve geworden-constructie en de
doen-constructie
worden vaker door standaardtaalsprekers gerealiseerd, al ontlopen de groepen
elkaar daar nauwelijks. Dat ik in de gevarenzone verkeer, wordt me steeds
meer duidelijk. Niet alleen omdat ik dialect als moedertaal heb, ook omdat
ik hoop me niet lang na het inleveren van dit werkstuk `hoger opgeleid'
te mogen noemen. Toegegeven, deze groep kan nergens tippen aan die van
de lager opgeleiden, maar scoort overal met uitzondering van de tijdsaanduidingen
in de voltooid verleden tijd beduidend hoger dan die van gemiddeld opgeleiden,
wat in mijn ogen merkwaardig genoemd mag worden.
Dialecten mogen volgens velen met
uitsterven bedreigd zijn, een nauwkeurige blik op de cijfers toont, dat
voor het verdwijnen van het HAN niet te vrezen valt. Althans, als de cijfers
die ik heb gevonden representatief zijn. Jongeren mogen over de hele linie
misschien iets minder scoren in HAN-kenmerken, per kenmerk is het beeld
verrassend. Op het gebied van de woordfinale t-deletie scoren ze ongeveer
gelijk, over de verhoging van de [s] is het nodige al gezegd. `Voor twee
weken terug', `voor twee weken geleden', `twee weken terug' en `voor twee
weken' winnen terrein, net als de doen-constructie en de possesieve
datief-constructie. In het realiseren van benefactief-constructies
staat het gelijkspel. Daarentegen verliezen `voor als complementeerder
voor infinitiefzinnen', passieve geworden-constructies en intrinsieke
constructies terrein. Deze bevindingen verdienen verder onderzoek;
helaas ontbreekt het mij aan tijd en middelen hiervoor.
Als de uitkomsten van mijn onderzoekje
niet liegen over de werkelijkheid, moet er een verklaring gevonden worden
voor het niet-verdwijnen of zelfs toenemen in frequentie van een groot
aantal HAN-constructies in een tijd waar binnen het Nederlands taalgebied
nagenoeg alle geografisch bepaalde variëteiten naar de standaardtaal
toe groeien. Ik heb tot nu toe geen sluitende verklaring kunnen vinden,
immers: jongeren volgen doorgaans meer onderwijs, kijken in hun leven gemiddeld
televisie (onderschat dat apparaat niet wanneer het gaat om standaardisering
van taal) en kunnen gemakkelijker contacten buiten de regio leggen dan
hun ouders deden of konden. Wellicht hebben de jeugdige leeftijd van HAN,
het geforceerde ontstaan ervan (zie hoofdstuk 2) en het bestendigen van
de verhoudingen in de Heerlense gemeenschap hun invloed. Ik denk echter
eerder dat een eventuele oorzaak voor de merkwaardige verhoudingen die
uit dit onderzoek zijn gekomen te vinden is in het feit, dat een HAN-spreker
in tegenstelling tot een andere dialect- of regiolectspreker Nederlands
als tweede taal niet kent, in die zin dat HAN en Nederlands niet
naast elkaar bestaan, maar voor de spreker gelijk zijn. Hierdoor kan een
HAN-spreker, als hij zijn taal spreekt, niet `overgaan' op standaard-Nederlands
en is hij zich minder bewust van de regionale kleuring van zijn taal. De
toename in frequentie van een aantal constructies kan dan verklaard worden
met de dooddoener `natuurlijke' of interne taalverandering.
BIJLAGEN
Bijlage 1: de Ürdinger en de Benrater Linie
GEBRUIKTE LITERATUUR
- Akmaijan, Demers en Harmish,
Linguistics: An Introduction to Language and Communication, Massachusetts
1981
- Appel, Hubers en Meijer,
Sociolinguïstiek, Utrecht 1981
- Blok, Ludo, Werkstuk
veldwerk taalkunde
- Boves, Gerritsen en
De Bot, Syllabus sociolinguïstiek, Nijmegen 1993
- Boves en Gerritsen,
Inleiding in de sociolinguïstiek, Utrecht 1995
- Breij, Bert, De mijnen
gingen open de mijnen gingen dicht, Alphen a/d Rijn 1991
- Cornips, Leonie, Syntactische
variatie in het Algemeen Nederlands van Heerlen, Amsterdam 1994
- De Vries, Willemyns
en Burger, Het verhaal van een taal, Amsterdam 1994
- Dik en Kooij, Algemene
Taalwetenschap, Utrecht 1988
- Geerts, e.a. (eds)
Algemene Nederlandse Spraakkunst, Groningen 1984
- Leerssen, Joep, Bij
het proefschrift Syntactische variatie in het Algemeen Nederlands van Heerlen,
door Leonie Cornips, Veldeke 1995-2
- Notermans, dhr., Verzameling
germanismen en limburgismen gehoord bij Limburgers
- Rijpma, Schuringa
en Van Bakel, Nederlandse spraakkunst, Groningen 1972
- Trommelen en Zonneveld,
Inleiding in de generatieve fonologie, Muiderberg 1982
- Van Helvert, Korrie,
Language input characteristics in spontaneous interaction of native children
with non-native parents, uit Ethnic minorities and Dutch as a second language,
Dordrecht 1984
- Van den Toorn, M.C.,
Methodologie en taalwetenschap, Utrecht 1978
- Van den Toorn, M.C.,
Nederlandse grammatica, Groningen 1981
- Duinhoven, A.M., Het
hulpwerkwoord doen heeft afgedaan, Forum der Letteren, juni 1994
- Van Melick, Ben e.a.
(eds), Jon Erkens, actor in de mijnstreek, Heerlen 1995
- Vellinga, S.Y.A., Katholiek Zuid-Limburg
en het fascisme, Assen 1975
1. 1Voor zover mijn tekstverwerker dit toelaat en voor zover deze standaard in Limburgse eigenschappen voorziet, houd ik me aan de tekens uit het International Phonetic Alphabet (IPA)
2. 2De Oude Mijnstreek is het gebied waarin de steden Brunssum, Heerlen en Kerkrade en de dorpen Amstenrade, Bingelrade, Bocholtz, Eygelshoven, Hulsberg, Jabeek, Klimmen, Merkelbeek, Nieuwenhagen, Nuth, Oirsbeek, Schaesberg, Schimmert, Schinveld, Simpelveld, Ubach over Worms, Voerendaal en Wijnandsrade vallen.
3. 3Voor het verloop van de Ürdinger en de Benrather Linies, zie bijlage.
4. 4Omdat het mij nog steeds niet is gelukt om een leesbare formule te creëren met de formule-editor in mijn tekstverwerker, kan ik klankeigenschappen niet onder elkaar tussen haakjes plaatsen. In afwijking van wat gebruikelijk is maak ik gebruik van het teken `;' om aan te geven dat twee eigenschappen tegelijkertijd voorkomen in één klank.
5. 5Ook al is de benefactief-constructie in oostelijk Nederland redelijk productief, uit het standaard-Nederlands is zij nagenoeg verbannen. De ANS spreekt alleen over benefactief-constructies als ze verbonden zijn met de verbums inschenken `Ik schenk Henk een biertje in' of bereiden `Ik bereid hem een smulbare maaltijd'.
6. 6Hoog=VWO, HBO, WO en vergelijkbaar, Midden=MAVO, HAVO, MBO en vergelijkbaar, Laag=LO, LBO en vergelijkbaar
7. 7Jong=geboren na 1950, Oud=geboren voor 1950
8. 8HAN-als-moedertaalsprekers vallen onder de categorie `standaard'
9. 9De indexering is als volgt aangebracht: weinig realisaties kreeg de waarde 1, een gemiddeld aantal de waarde 2 en veel de waarde 3. Deze waarden zijn opgeteld en de uitkomst van deze som is gedeeld door het aantal sprekers uit de betreffende groep. Hoe hoger de waarde (minimaal 1, maximaal het aantal variabelen), hoe meer realisaties van een betreffend kenmerk genoteerd zijn.